Bolkesteins betoog valt stil bij Franse liberalen

In een Frans restaurant verdedigt oud-VVD-leider Bolkestein het Nederlandse liberalisme. Hij stuit op veel Frans onbegrip.

Het bovenzaaltje van Chez Clément is nog knusser dan het restaurant beneden, lepels aan de muur als kapstokken, ingelijste oude schoenen voor de gezelligheid. Het trappenhuis is open, de keuken klatert. Frits Bolkestein staat klem tussen een lage palm en een met lepels beplakte lamp. Hij trotseert de vogeltjesmuzak en spreekt over `het relatieve Nederlandse succes', Europa en het liberalisme.

Hij is hier op uitnodiging van de Club Rénovation Démocratique, een denk- en discussiegroep rond de schrijver Guy Sorman. Deze immigrantenzoon situeert zichzelf ergens op liberaal rechts, maar houdt afstand van de enige partij die het L-woord in de naam draagt: Alain Madelins Démocratie Libérale. Te rechts, te weinig op vrijheid gericht.

Sorman, die met zijn vlot geschreven boeken en zijn vrolijke lay-out niet zou misstaan op een D66-congres, zoekt ,,een frisse wind in Frankrijk, een iets minder verpletterende staat, iets minder verstikkende belastingen''. Vóór 1997 adviseerde hij premier Juppé, nu bouwt hij aan zoiets als een politieke basis in de Parijse voorstad Boulogne-Billancourt. Zo hoort dat in de Franse politiek. Iedere aspirant clanleider verwerve zich een lokale worteling. Chirac kan altijd naar de Corrèze als hij zich ver voelt van de gewone mensen, Jospin ontvangt Tony Blair en de camera's liefst in zijn stamcafé in Cintegabelle, een dorpje in het zelfde zuidwesten als het weekendkasteeltje van de Chiracs. Sorman ontvangt nog geen camera's.

Na afloop van Bolkesteins betoog blijft het stil aan mijn tafeltje. Meneer Jean-Pierre, die zich later als hoge functionaris in de gezondheidszorg identificeert, is niet overtuigd. ,,Die drugs, die overal in Nederland te koop zijn, dat is toch een gevolg van het liberalisme of libertarisme zo u wilt. Dat neem ik hoog op. Het gaat niet om de economie alleen.'' Onze overbuurman, meneer Claude, in zaken, vindt dat de staat meer ruimte moet laten voor de mensen om hun eigen leven in te richten.

Meneer Jean-Pierre neemt ook dat hoog op, het Nederlandse voorbeeld stelt meneer Claude toch niet gerust? Zonder direct te antwoorden wil meneer Claude nog wel verder gaan. Bij hem in Sèvres heeft de burgemeester laatst alle burgers bij elkaar geroepen. ,,Dat beviel me uitstekend. Belangrijke beslissingen kunnen alleen maar door het hele volk worden genomen. Ik vertrouw niemand. Volksvertegenwoordigers zijn er voor de dagelijkse controle, maar niet om mij te binden aan allerlei beslissingen. Neem kernenergie: willen wij volgende generaties opschepen met ons afval?''

Patrick Quentin is wethouder van Boulogne, voor betrekkingen met de buitenwereld. Directe democratie spreekt hem niet zo aan. Overleggen is mooi, maar thuis is hij de baas. In de buitenwereld nog niet, lijkt het.

Aan andere tafeltjes worden ook briefjes ingevuld met vragen aan `de leider van de Nederlandse liberalen'.Over zijn breed opgezette verhaal, met verwijzingen naar Blair en Schröder, wordt niet al te veel doorgepraat.

De eerste vragen slaan nog een beetje op Bolkesteins verhaal. Kan de staat in Nederland de lengte van de werkweek voorschrijven? Leidt de euro tot één economisch plan op Europese schaal? Is de lage werkloosheid niet het gevolg van uit de statistiek schrappen van de WAO? Sorman houdt om de paar vragen een pauzepreekje over het liberalisme, een synoniem in Frankrijk voor gewetenloos kapitalisme. ,,Het liberalisme van mensen als De Tocqueville en Aron streed tegen totalitarisme, dat was pessimistisch. Aan het Angelsaksische voorbeeld zien we dat je de politieke strijd ook kan hernemen en winnen. Madelin maakt de strategische fout het liberalisme uitsluitend economisch te benoemen.'' Bolkestein noemt Nederland een synthese tussen het Angelsaksische en het Rijnlandse model, maar voor die finesse zijn deze Franse liberalen niet gekomen.