Ook val Srebrenica behoeft enquête

Als zich in Nederland een ramp voordoet blijkt het moeilijk te zijn tot een waarheidsgetrouwe reconstructie te komen. Zo komt tijdens de parlementaire enquête naar de Bijlmerramp pas na ruim zes jaar de waarheid schoksgewijs aan het licht. Het is nog weliswaar veel te vroeg vooruit te lopen op de conclusies van de enquêtecommissie, maar voor de toekomst lijkt een duidelijke les te zijn geleerd. Bij rampen dient meteen een diepgaand, onafhankelijk onderzoek te worden gehouden.

Nederland worstelt al jaren met een ander trauma: de val van Srebrenica. Precies zes jaar geleden deed de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Peter Kooijmans, een oproep tot een `langdurige inzet met extra militairen' in het toen door oorlog geteisterde Bosnië-Herzegowina. Enkele weken later was de echo van de minister luid te horen in de Tweede Kamer. Een Kamerbrede meerderheid schaarde zich achter hem.

Het ziet er nu naar uit dat er onderzoek zal worden verricht naar de besluitvorming over de uitzending van Dutchbat, maar dit geldt niet voor de gebeurtenissen rond de val van de moslimenclave. De overeenkomsten van Srebrenica met de Bijlmerramp zijn echter te frappant om te volstaan met het reconstrueren van die voorgeschiedenis en het inventariseren van de feitelijke gebeurtenissen door het voormalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD). Een aantal van deze overeenkomsten verdient een toelichting.

Een eerste overeenkomst tussen de Bijlmerramp en de val van Srebrenica is dat beide tot nu toe ontoereikend zijn onderzocht. Het onderzoek van de Rijksluchtvaartdienst roept tijdens de enquête vragen op. De val van Srebrenica is onderzocht door de Koninklijke Landmacht, waarvan Dutchbat deel uitmaakte. Dit onderzoek, de veel besproken debriefing, vertoont hiaten en is op tal van punten in strijd met de werkelijke gang van zaken. Nooit is opgehelderd of deze tekortkomingen onbewust gemaakte fouten zijn dan wel een bewuste poging informatie achter te houden.

Een tweede overeenkomst is dat in beide gevallen informatie is verdwenen. De nooit teruggevonden cockpit-voice-recorder, de wijze waarop met de resten van het verongelukte vliegtuig is omgesprongen, vallen in dezelfde categorie als het mislukte fotorolletje, een vernietigde videoband en de tijdens het onderzoek-Van Kemenade opgedoken honderden bladzijden documenten, die mede aanleiding zijn voor een toen gestart strafrechtelijk onderzoek van het OM naar mogelijke strafbare feiten.

Ook is de overeenkomst opmerkelijk over de informatieverstrekking tijdens beide rampen. De toenmalige minister van Defensie kreeg voortdurend geruststellende, veel te positieve berichten over het verloop van de gebeurtenissen. Tijdens de val van Srebrenica maakten hoge landmachtmilitairen bekend dat de vluchtelingen in Srebrenica geen haar op hun hoofd zou worden gekrenkt. Mannen werden – zo werd bericht – na verhoor weer teruggebracht, Nederlandse militairen zagen – zo werd verzekerd – nauwlettend toe dat niemand werd afgevoerd: ,,Het loopt op rolletjes en de Serviërs zijn welwillend.'' Vreemd en tot op de dag van vandaag onopgehelderd zijn de uitspraken van de toenmalige leiding van de Koninklijke Landmacht dat er geen sprake was van genocide.

Een vierde overeenkomst is de verbeten strijd om de waarheid over de ramp met het El Al-toestel en de val van Srebrenica boven tafel te krijgen. Binnen de defensieorganisatie, zowel bij de Koninklijke Landmacht als binnen het ministerie van Defensie, heerste al snel het gevoel dat het boek-Srebrenica moest worden gesloten. Dutchbatters die naar buiten traden kregen het zwaar te verduren, defensiemedewerkers die de waarheid aan het licht wilden brengen konden op grote weerstand rekenen. Naar de redenen van dit soort repressief gedrag moet vooralsnog worden geraden.

Een vijfde overeenkomst is dat bij beide gebeurtenissen hoofdpersonen het met de waarheid niet zo nauw hebben genomen. Hoe dit precies zit bij de Bijlmerramp, moet de enquêtecommissie nog vaststellen. Vast staat dat bij de val van Srebrenica betrokken hoofdpersonen valse verklaringen hebben afgelegd, onder andere in het kader van strafrechtelijke onderzoeken. Als verweer zal ongetwijfeld worden aangevoerd dat men op die manier pal voor de eigen organisatie heeft willen staan. Duidelijk is dat daarmee de waarheidsvinding absoluut niet is gediend.

Een zesde overeenkomst is de lankmoedigheid waarmee ambtelijk en politiek verantwoordelijken zijn opgetreden. Het is opmerkelijk dat bij beide gebeurtenissen nimmer onderzoek is verricht naar de vraag wie wanneer steken heeft laten vallen en welke maatregelen ter voorkoming van toekomstige calamiteiten van die omvang moeten worden genomen.

Uit vorig jaar bekend geworden documenten blijkt een opmerkelijke gretigheid van de militaire inlichtingendiensten, met name die van de Koninklijke Landmacht, voor de gebeurtenissen rond de val van de moslimenclave. Het kan goed zijn dat deze dadendrang niets te betekenen heeft. Het kan ook een door velen veronderstelde vingerwijzing naar een doofpot-actie zijn, waarbij het falen van de eigen organisatie verdoezeld diende te worden. Het verschaffen van helderheid daarover is voor iedereen van belang en het is twijfelachtig of het RIOD-onderzoek hier de enige methode is. Uiteindelijk gaat het om het vaststellen van de waarheid. De methodieken van een wetenschapper verschillen in dit opzicht hemelsbreed van het scherpe enquêtewapen, waarbij de waarheid wellicht sneller kan worden vastgesteld en waaraan de verantwoordelijken zich niet kunnen onttrekken.

Naar aanleiding van de enquête naar de Bijlmerramp zijn harde woorden gevallen over de betrouwbaarheid van de overheid. De betrokkenheid van de Tweede Kamer bij de uitzending van Nederlandse militairen naar Srebrenica, de bemoeienis van verschillende bewindspersonen met de gang van zaken rond de val van moslimenclave dienen ook in dit opzicht een extra aansporing te zijn om zonder verdere vertraging en met inzet van het zwaarst mogelijke onderzoek de onderste steen boven te krijgen.

Bert Kreemers is plv. directeur voorlichting van het ministerie van Defensie. Ten tijde en na de val van Srebrenica was hij woordvoerder van het departement. Thans is hij belast met de Strategische Toekomstdebat Defensie en met ingang van september is hij verbonden aan Instituut Clingendael.

    • Bert Kreemers