Koerdisch wespennest

DE TERRORIST van de een is de vrijheidsstrijder van de ander. Deze oude boodschap proberen de leider van de Koerdische partij PKK, Öcalan, en zijn advocaten nu al weer enkele maanden te slijten in Europa. Zij betogen dat de strijd tussen Turkije en de Koerden valt onder de noemer van een intern gewapend conflict, zodat het oorlogsrecht van toepassing is en niet de bepalingen van het Europese verdrag tegen terrorisme waar Turkije zich op beroept. Hand in hand met deze juridische redenering gaat het politieke betoog van de PKK dat de man en de zaak niet zijn te scheiden en dat iedere oplossing voor het vastgelopen Koerdenprobleem begint met Öcalan.

Beide benaderingen hebben een zware klap gekregen nu Turkije de gezochte Koerdenleider vannacht dan toch in handen heeft gekregen. Hoe dit precies in zijn werk is gegaan, is nog onbekend. De opluchting op de Europese ministeries van Justitie en Buitenlandse Zaken zal er niet minder om zijn. Duidelijk was in ieder geval dat Öcalan zich de laatste tijd steeds meer gedroeg als opgejaagd wild. Een gevoel van wanhoop lijkt zich ook te hebben meester gemaakt van zijn aanhangers in Europa. In verschillende Europese hoofdsteden - waaronder Den Haag - is het gekomen tot wilde acties van Koerden tegen ambassades. Zeker met Öcalan in gevangenschap is dat een verkeerd signaal. Een beroep op oorlogsrecht verdraagt zich niet met aanvallen op ambassades, zo simpel is het. Dit soort acties versterkt met andere woorden het terroristische aspect van de PKK en zijn leiders. Niet alleen in Turkije maar ook in Europa.

Deze laatste omstandigheid relativeert de opluchting van de Europese autoriteiten met de ontknoping van de zaak-Öcalan. In theorie laat het antwoord van Europa op dit soort kwesties weinig aan duidelijkheid te wensen over. De landen van de Raad van Europa, die tegenwoordig ook Rusland omvat, hebben een verdrag gesloten waarin zij zich onderling verplichten iedere vreemde terrorist die op hun grondgebied wordt aangetroffen uit te leveren of zelf te berechten.

DE ONDERLIGGENDE redenering is dat binnen het moderne Europa geen plaats meer is voor politiek asiel. De werkelijkheid is wat weerbarstiger gebleken. Italië weigerde uitlevering van Öcalan aan Turkije, Duitsland besloot af te zien van een lopend uitleveringsverzoek, Nederland weigerde de instelling van een speciaal hof zelfs maar te overwegen, Rusland en Griekenland sloten hun poorten. Stuk voor stuk waren de redenen duidelijk. Uitlevering aan Turkije liep stuk op de doodstraf die daar nog geldt. Berechting in Duitsland bracht echter ernstige risico's mee voor repressailles vanuit de grote Koerdische gemeenschap in dat land. Nederland bedankte er begrijpelijkerwijs voor het justitiële vuilnisvat van Europa te worden. Italië noch Rusland noch Griekenland voelden zich vrij politiek asiel te verlenen - al was het alleen al wegens onrustige minderheidsgroepen in hun eigen achtertuinen.

De gezamenlijke Europese aanpak van terrorisme is destijds gekritiseerd als behangen over de scheuren in de muur, een herleving van de Heilige Alliantie tussen de grote Europese vorstenhuizen uit de vorige eeuw die onhoudbaar is gebleken. Met name het afzien van berechting van Öcalan door Duitsland leek deze kritiek te bevestigen. Als puntje bij paaltje komt geeft het nationale eigenbelang toch de doorslag. De export van het Turks-Koerdische conflict door middel van de emigratie naar Europa levert echter sterke argumenten voor de leden van de Raad van Europa de rijen beter te sluiten.

Ook na de arrestatie van Öcalan zal zijn zaak de Turks-Europese verhoudingen belasten. Met name zal de vraag of hij een behoorlijk proces krijgt, dienen als een barometer in de toch al moeizame dialoog over de rechten van de mens tussen beide partners. Het valt aan te nemen dat Turkije dit risico onderkent. De grote vraag is of de recente escalatie nog enige ruimte laat voor initiatieven die zijn gericht op de oplossing van het conflict. Tegenover het Koerdische geweld staat Turkse onderdrukking en onverminderde onverdraagzaamheid. Zojuist nam Ankara nog weer het initiatief een erkende politieke partij te laten verbieden omdat deze te zeer zou openstaan voor de Koerdische eisen. Dat zou de vierde verboden partij binnen tien jaar zijn. Erg bevorderlijk voor een dialoog ziet dat er niet uit.

TOCH BIEDT de episode-Öcalan in theorie althans een opening. Europa heeft, zij het niet erg elegant, Öcalan tenslotte de deur gewezen. De recente acties dwingen de staten van Europa vrijwel tot een striktere houding tegenover de PKK. Dat zijn beide ontwikkelingen waarvoor Turkije gevoelig moet zijn zodat het minder makkelijk Europese demarches over het Koerdenprobleem kan negeren. Triomfalisme is een slechte raadgever.