Kamerleden moeten Geheim van Noordeinde respecteren

Door loslippigheid van Kamerleden zijn de koningin politieke uitspraken in de mond gelegd. Menno de Bruyne vindt dat het niet aangaat de mate van koninklijke invloed in een bepaalde kwestie te openbaren. Kennis van het staatsrecht kan dergelijke uitglijers voorkomen.

Het is bedroevend dat parlementariërs zo'n slechte kennis hebben van het staatsrecht

Het paleis lijkt lek. Nooit eerder is het Nederlandse staatshoofd zo vaak in zo betrekkelijk korte tijd voorwerp geweest van politieke discussies. De ellende begon in 1996 in de Jordaanse hoofdstad Amman. Op een party ter gelegenheid van de opening van de Nederlandse ambassade aldaar liet de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Van Mierlo, uit zijn mond vallen dat dit feestje eigenlijk te danken was aan koningin Beatrix. Zíj had, omdat de Oranjes op goede voet verkeren met het Hasjemitische koningshuis, deze ambassadepost gewild.

Daarna stapelde zich incident op incident. De sturende hand van Hare Majesteit werd vermoed achter de weigering van het kabinet om het `homohuwelijk' te omarmen, achter de weigering van staatssecretaris Nuis om het toneelstuk `Emily' met staatsgeld te subsidiëren, achter de gedwongen overplaatsing van de hokkende Nederlandse ambassadeur in Zuid-Afrika en achter het voor samenwonenden minder welkome uitnodigingsbeleid ten paleize. Tot overmaat van ramp doken er ook nog eens berichten op over koninklijk onbehagen over het nieuwe decoratiestelsel en de démarches van het kabinet inzake de in Singapore ter dood veroordeelde zakenman Van Damme.

En dan nu een of meerdere lekkende Kamerleden. Of het nu drs. Mallebrootje uit Elst was of een ander, feit is dat betrokkene door het schenden van de vertrouwelijkheid van het gesprek met koningin Beatrix aan de monarchie slechts lippendienst heeft bewezen. Want opnieuw zijn door bewuste of onbewuste loslippigheid Hare Majesteit politieke, of tenminste politiek getinte uitspraken in de mond gelegd. En dat net nu de koningin na een adempauze van een paar jaren zo genegen was om alle 150 Kamerleden weer eens bij zich op de koffie te vragen. Daarmee zitten we opnieuw volop in de discussie over het `Geheim van het Noordeinde'.

Dat inmiddels beruchte Geheim vindt zijn basis in de Grondwet. De pijler waarop het functioneren van onze constitutionele monarchie rust, is artikel 42: ,,De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.'' In weinig woorden staat hier dat de koningin voor haar aandeel in het regeringsbeleid niet ter verantwoording geroepen kan worden. Wie kritiek heeft op de regering, dient zijn pijlen te richten op de ministers, niet op koningin. Zij troont als staatshoofd en symbool van de eenheid van de natie boven de partijen. Daarom moet ze uit de politieke wind gehouden worden, en dat kan alleen als haar inbreng binnen de regering voor de buitenwacht verborgen blijft.

De lekkende Kamerleden doen opnieuw de vraag rijzen naar de reikwijdte van het geheim. Communis opinio bestaat over zittende ministers en staatssecretarissen. Als die uit het paleis klappen, zitten ze goed fout. Hetzelfde geldt voor ex-excellenties. Enkelen hebben er wel eens voor gepleit dat oud-bewindslieden wél een boekje open mogen doen over het geheim, dit onder het motto dat ontboezemingen over gedane zaken niet verkeerd zijn. Ik waag dat te betwijfelen. Nog afgezien van het feit dat vrijwel geen zaak in politiek Den Haag als `gedaan' kan worden beschouwd, moet een koningin die nog regeert, en dus nog uittroont boven het politieke strijdgewoel, ervoor behoed worden dat ze tegen haar eigen verleden oploopt. Al zou een zaak zijn afgedaan, dan nog gaat het niet aan de mate van koninklijke invloed in een bepaalde kwestie te openbaren. Het licht dat daarop valt kan namelijk ook licht werpen op de koninklijke influisteringen nu.

Een ander verhaal is in hoeverre niet-bewindslieden aan het geheim gebonden zijn. Niet alleen Kamerleden gaan wel eens bij de koningin op de koffie, maar ook diplomaten, ambassadeurs en anderen die de koningin iets te vertellen hebben. Heel letterlijk genomen valt geen van hen onder het Kroongeheim. Met niet-bewindslieden stippelt de koningin nu eenmaal niet het regeringsbeleid uit. Toch worden ook zij geacht hun mond te houden over wat er in de gesprekken met Hare Majesteit is gezegd. Dat wordt hen door `constitutionele paleiswachten' ook heel duidelijk te verstaan gegeven. De reden om ook niet-ministers een slot op de mond te leggen ligt voor de hand: er kunnen onderwerpen ter tafel komen die, als het standpunt van de koningin daarover naar buiten komt, aanleiding geven tot heibel.

Dat Kamerleden hun mondje moeten houden, staat al helemaal buiten kijf. Zij worden door de koningin niet gevraagd om met haar van gedachten te wisselen over koetjes en kalfjes, maar over onderwerpen die op het Binnenhof spelen. De jongste rel is daarvan het helderste bewijs. De thema's die in het bezoekje van de laatste delegatie Kamerleden met de koningin zijn besproken zijn al vaak genoeg opgedist: de veiligheid op straat, het cellenoverschot en de pepper-spray, de gekozen burgemeester en het referendum; stuk voor stuk thema's waarover op dit moment (politieke) discussie bestaat en waarin de regering een standpunt heeft bepaald. Je mag toch aannemen dat de Kamerleden die onlangs bij de koningin op de stoep stonden hun huiswerk wel hadden gedaan.

De afgelopen dagen is herhaaldelijk gezegd dat het jongste geval van geheimschennis op het conto geschreven moet worden van een onervaren Kamerlid. Als dat zo is, werpt dit een wel erg schril licht op het constitutioneel besef van de groentjes onder onze geachte afgevaardigden. Dat het niet zo best is gesteld met de kennis van het staatsrecht onder de Kamerleden, is al vaker gesignaleerd. Dat is des te bedroevender omdat juist van Kamerleden als mede-wetgevers en controleurs van de regering, verwacht mag worden dat ze de grondregels van ons constitutionele bestel wel kunnen dromen. Ze zweren of beloven bij de aanvaarding van hun ambt nota bene trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt. In dat verband is door een van de beste kenners van dat bestel (Harry van Wijnen) eens betoogd dat Kamerleden een soort `constitutioneel contract' hebben afgesloten. Zo'n contract schept verplichtingen. Kamerleden zouden alleen al om die reden beter moeten weten.

Een Kamerlid dat er niet van verdacht kan worden zijn staatsrechtelijke zaakjes niet te kennen, was Theo Joekes, de VVD'er die onder andere naam maakte door zijn manmoedige houding in de baanbrekende RSV-enquêtecommissie. Toen koningin Juliana het initiatief nam tot de uitstapjes van Kamerleden naar het paleis, tekende hij hier direct bezwaar tegen aan. Constitutioneel gezien hebben wij niets bij de koningin te zoeken, vond de liberaal. Joekes was er bang voor dat de commissieleden op het paleis met de koningin Tweede Kamertje zouden spelen.

Desondanks draafde Joekes tóch op toen hem als voorzitter van de Kamercommissie Financiën de uitnodiging van koningin Juliana bereikte om zich met `zijn' commissie te vervoegen op het oude paleisje aan het Voorhout. Er zat voor Joekes toen weinig anders op dan de bijeenkomst te saboteren: zodra Juliana dreigde te beginnen over 's lands financiën, gooide hij het gesprek op het magnifieke interieur van het paleis of het lief en leed van de kleinkinderen. Toen de delegatie weer vertrok, verzuchtte de vorstin: ,,Wat jammer nou toch dat we niet zijn toegekomen aan het financiële beleid.''

Bij koningin Beatrix ging het anders. Weliswaar had Joekes nog geprobeerd het gesprek te sturen door haar van tevoren een ontwerp-agenda toe te sturen, maar meer plagend dan bits merkte de koningin op zich niets van die agenda te zullen aantrekken. En toen ze bij een volgend bezoek van Presidiumlid Joekes quasi-onwetend vroeg hoe hem de gesprekjes waren bevallen en deze daarop zijn staatsrechtelijke bezwaren uiteenzette, zei ze: ,,Ik ken uw standpunt, maar ik behoud me het recht voor om te spreken met wie ík wil.'' Inderdaad, dat recht heeft de koningin. Net als het recht om voortaan níet meer te spreken met wie ze wil.

Menno de Bruyne is medewerker van de SGP-fractie in de Tweede Kamer.