Importeurs mijden arme landen na boetes van EU

Voor de industriële sector in ontwikkelingslanden dreigt een economische catastrofe, omdat Westerse importeurs in toenemende mate afzien van het halen van producten uit die landen. Dat is een gevolg van navorderingen van enkele tienduizenden guldens die enkele Europese importeurs van producten uit Bangladesh onlangs hebben gekregen. Brussel was er achter gekomen dat de autoriteiten van dat land in de periode van 1994 tot en met 1997 onjuiste oorsprongscertificaten hadden afgegeven en concludeerde vervolgens dat de importeurs van die producten ten onrechte hadden geprofiteerd van zogeheten tariefpreferenties. Afhankelijk van het land van herkomst en het product, kunnen importeurs kortingen krijgen op invoerrechten, die kan variëren van enkele procenten tot het volledig wegvallen van het invoerrecht. De Europese Commissie stelt daar tegenover dat de importeurs die juistheid van de certificaten dienen te controleren. Maar die blijken daar in de praktijk veelal helemaal niet toe in staat.

Het Nederlands Verbond van de Groothandel (NVG), daarin met name gesteund door het Nederlandse ministerie van Economische Zaken en de Deense overheid - heeft er in Brussel op aangedrongen bij het nieuwe meerjarenschema van algemene tariefpreferenties (APS) ruimte te maken voor twee bepalingen, die de importeurs enige bescherming bieden. In de eerste plaats zou de Commissie uit moeten gaan van de 'goede trouw' van importeurs en voorts zouden zij in geval van vermoedens van fraude de tijd moeten krijgen dat uit te zoeken zonder onmiddellijk te worden bestraft. Ook Frankrijk en Duitsland hebben inmiddels om aanpassing van het APS gevraagd.

De Commissie is tot nu toe aan die twee punten voorbij gegaan, terwijl het nieuwe APS op 1 januari is ingegaan. Zowel in de vigerende Custom Code als de nieuwe APS wordt het begrip `te goeder trouw' niet erkend. De regeling is bedoeld om de economie in een aantal minder ontwikkelde landen te stimuleren. Omdat het zonder meer afgaan op de juistheid van oorsprongscertificaten, die autoriteiten in de betrokken landen opstellen nogal hachelijk blijkt te zijn, maakt een toenemend aantal importeurs geen gebruik meer van de preferenties. Dat blijkt uit een enquête van de NVG onder zijn leden.

,,De geschiedenis heeft geleerd dat importeurs jaren nadat goederen zijn geïmporteerd en verhandeld worden geconfronteerd met naheffingen en boetes. En wel door het ten onrechte afgeven van oorsprongcertificaten door autoriteiten in derde landen. Dit is een risico dat voor veel importeurs te groot is,'' zo stelt de NVG vandaag in een brief aan de Tweede Kamer.

Uit de enquête blijkt ook dat een groeiend aantal importeurs actief zoekt naar andere `bronmarkten' waar de kans op het krijgen van ongeldige oorsprongcertificaten klein is. Consequentie daarvan is dat de laagst ontwikkelde landen een slechtere exportpositie krijgen en de prijzen voor dergelijke producten in de Europese Unie - en dus ook Nederland hoger worden. De regeling gaat aldus averechts werken, zo schrijft de NVG.

Veel producten uit de minst ontwikkelde kunnen tegen een nultarief op de Europese markt worden gebracht. Voor schoenen bedraagt het invoerrecht 17 procent, op textiel 13 procent.