Hodlers landschappen en onverbloemd naakt

De Zwitserse schilder Ferdinand Hodler (1853-1918) was, en is nog steeds, een controversieel kunstenaar, zoals te zien is op een overzichtstentoonstelling van schilderijen en tekeningen in het Haags Gemeentemuseum. In 1897, op de zevende Internationale Kunstausstellung in het Glaspalast te München, won Hodler een gouden medaille voor zijn symbolistische schilderingen Die Nacht en Eurythmie.

De bevestiging van zijn internationale reputatie volgde toen hij in 1904 op een overzicht van Europese symbolistische kunst in de Secession te Wenen de erezaal kreeg toebedeeld. In zijn geboorteland werd Hodler op handen gedragen. Zowel in schilderijen die hij voor zichzelf maakte als in monumentale opdrachten bezong hij Zwitserse tradities en heldhaftige momenten uit de Zwitserse geschiedenis. Zo verbeeldt het werk Der Schwingerumzug (1882), een traditionele optocht van worstelaars, `de voornaamste deugden in 19de-eeuws Zwitserland: vaderlandsliefde, democratisch bewustzijn en onafhankelijkheidszin', zoals het in zijn biografie staat vermeld. Hodler viel dan ook de eer ten deel de nieuwe bankbiljetten te ontwerpen.

Maar Hodlers werk riep ook weerstand en protest op. In een voorstelling van `Begeerte, liefde en rust' verbeeldde hij op onverbloemde wijze de geslachtsdaad. Vrienden bewogen hem er diverse malen toe doekjes te schilderen tussen de benen van de mannelijke en vrouwelijke naakten in zijn allegorische voorstellingen.

Het schilderij De Dag (1899), dat in 1922 werd aangekocht door het Haags Gemeentemuseum en dat het enige werk is van Hodler in het bezit van Nederlandse musea, toont zo'n vrouwelijk naakt. Zittend op een wit kleed midden in een groene weide bij opgaande zon symboliseert zij de dageraad. Hodler verbond met de dageraad begrippen als waarheid, kracht en licht. Zij is dus Nuda Veritas, en betekent ook, zo blijkt uit hetgeen Hodler erover heeft gezegd, bloei en nieuw begin.

Maar hoezeer zij ook als symbool is bedoeld, deze vrouw, voor wie Hodlers echtgenote Berthe Jacques model zat, is door de schilder niet geïdealiseerd, maar juist zeer realistisch geschilderd. Zij is een vrouw van vlees en bloed, met stramme benen, knokige voeten en een enorme gespierde nek. Haar houding is onnatuurlijk en verkrampt: als in gebed brengt zij haar handen op borsthoogte samen, met merkwaardig gekromde vingertoppen, en zij buigt haar bovenlichaam en haar hoofd, met geloken ogen, zijwaarts. De magere dijbenen zijn geopend, zodat we een frontale blik hebben op een onbehaard geslacht. De ongegeneerde pose roept een gevoel op van plaatsvervangende schaamte. De ijskoude en agressieve manier waarop Hodler het naakte lichaam schilderde laat zich moeilijk rijmen met het gegeven dat deze vrouwenfiguur een uitdrukking zou zijn van spiritualiteit.

De dag kan dienen als pars pro toto voor alle symbolistische figuurschilderingen van Hodler. Zodra Hodler de menselijke figuur gebruikt om een idee of een mystieke beleving uit te drukken, zien we deze dubbelzinnige, weerzinwekkende mengeling van verkrampte, theatrale gebaren en van pornografische seksualiteit onder het mom van het spirituele.

Het probleem is hier dat deze werken goed zijn geschilderd. Hodler beheerste zijn vak, en was een groot stylist. Het bijna monochroom groene vlak in Opgaan in het al (1892) is levendig en genuanceerd, ook de fluwelige zwarte doek waar de vrouw op staat is heel goed gedaan; en de gewaagde compositie, met een hoge horizon, een curve van kilgrijs bovenaan het doek, dwingt bewondering af. De naakte vrouw, die in dit geval `devotie' moet verbeelden, richt zich in aanbidding naar het vroege morgenlicht.

Er loopt een breuk door het oeuvre van Hodler langs de grens tussen fantasie en waarneming. Wanneer Hodler het symboliseren achterwege liet en schilderde vanuit de directe observatie ontstonden prachtige expressieve werken. Een voorbeeld is de aangrijpende cyclus van tekeningen en schilderijen waarmee hij het ziekbed en het sterven van zijn minnares Valentine Godé-Darel (november 1913 februari 1915) vastlegde. Uit de genadeloosheid en de hardnekkigheid van dit registreren spreekt Hodlers liefde voor deze vrouw. Wanneer zij is overleden tekent hij met enkele vrije, spontane lijnen het hoofdkussen en de wijde witte nachtjapon, maar de huid schildert hij met toetsen van blauw, groen, geel en roze, de skeletarm stijf verstokt – verfmaterie is huid. De kleur is hier een afscheid van het leven.

Een hoogtepunt is De dode Valentine met rozen, in adembenemend lichte tinten van geel en roze, heel dun opgebracht zodat het linnen er doorheen zichtbaar is, de matras is het onbeschilderde linnen zelf. In de contouren toont zich weer het stilistisch talent van Hodler, terwijl de roze achtergond met rozen een voorbeeld van het meest pure schilderen is.

Ook in de landschappen is Hodler een groot expressionist, vooral in die landschappen waar hij zich niet al te veel gelegen laat liggen aan het door hem uitgevonden compositieprincipe van het `parallellisme'.

Parallellisme wil zeggen: de motieven (mensfiguren, wolken) naast elkaar en frontaal, als een decoratief fries, gerangschikt op het doek. Mensen zijn afwezig in deze berglandschappen. Hooguit geeft een enkel huisje de schaal aan. De vormelementen, bergen en water, zijn vereenvoudigd tot heldere kleurcontrasten.

Een bijna kale, abstraherende soberheid creëert een sensatie van onmetelijke ruimte, vooral in de laatste werken. In zijn laatste jaren wilde Hodler alleen nog het landschap rond het meer van Genève schilderen. Wandelend langs de oevers zei hij in 1917 tegen een vriend: `Ziet u hoe daar aan de overkant alles in lijnen en ruimte opgaat? Lijkt het niet of u aan de rand van de aarde stond en vrij met het Al verkeerde?'

Aan de abstrahering en versobering ligt diezelfde hang naar verhevenheid en spiritualiteit ten grondslag als in de monumentale werken. Een `Opgaan in het Al' komt in deze relatief kleine (ca. 60 x 80 cm) doeken overtuigend tot uitdrukking, in tegenstelling tot de grote programmatische schilderijen. Samen met de portretten van Valentine behoren Hodlers landschappen tot het beste wat de expressionistische schilderkunst heeft voortgebracht.

Ferdinand Hodler: overzichtstentoonstelling. In: Haags Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag. T/m 2 mei. Open: di-zo 11-17 uur. Catalogus, 136 blz., ill. in kleur en zwartwit, ƒ49,50.