Vrijspraak Clinton is wapenstilstand

Republikeinen en Democraten moeten weer een echte partijpolitiek voeren die zich op maatschappelijke kwesties richt en niet op personen, meent E.J. Dionne Jr. Alleen zo kan een definitief eind worden gemaakt aan de impeachmentaffaire.

Iets meer dan een jaar geleden heerste er zekerheid in Washington: als president Clinton echt met Monica Lewinsky had gedaan waarvan hij werd beticht, dan was hij president-af en zou de Democratische Partij in duigen liggen.

Clinton had inderdaad gedaan wat er oorspronkelijk werd beweerd. Maar hij trad niet af. Hij overleefde zowel impeachment als berechting. Opgetogen Democraten maken zich alweer op om het Huis van Afgevaardigden en misschien zelfs de Senaat op hun tegenstanders te heroveren.

Men zou kunnen zeggen dat dat Clintons nalatenschap is, zijn grote wapenfeit, het onomstotelijk bewijs dat hij de politieke wonderdoener is waarvoor vriend en vijand hem houden. De historici zullen zich afvragen of iemand anders dan Clinton dit had kunnen overleven. Men zou ook kunnen zeggen dat de president voor deze overwinning een buitengewoon hoge prijs heeft moeten betalen. Die prijs bestond erin dat hij tenminste zeven maanden lang heeft gelogen, dat hij het peil van het politieke debat heeft verlaagd, zijn bondgenoten heeft gestrikt om gedrag te verdedigen dat ze bij herhaling laakbaar hadden genoemd en zijn evidente politieke gaven heeft verkwanseld aan de verdediging van zijn eigen dwaasheid. Hij heeft zijn brille aangewend niet om een eigen New Deal of Fair Deal teweeg te brengen of het volk aan te voeren over nieuwe grenzen heen, maar om zijn baan te behouden na een verbluffend onverantwoordelijke liedesaffaire.

Ook zijn vijanden zullen de gebeurtenissen herbeleven. In bijna iedere fase hebben ze de verkeerde keus gemaakt. Ze gingen ervanuit dat het land achter hen zou staan als maar eerst de feiten bekend waren. Ze gingen ervanuit dat door het eindeloos uitkauwen van de kwestie op de televisie het land genoeg zou krijgen van zijn rokkenjagende president. Ze gingen ervanuit dat ze door stug vol te houden uiteindelijk een overwinning zouden behalen.

Om al deze redenen kan de vrijspraak door de Senaat van afgelopen vrijdag nooit het einde van deze kwestie betekenen. Daarvoor zijn te veel geschillen onbeslist gebleven: de strijd om het politieke overwicht bij de verkiezingen in 2000; om het ideologische gelijk; om de eer en de genoegdoening; en ten slotte om het oordeel van de geschiedenis. De partijpolitiek is de landspolitiek nog niet uit. Ze zal misschien zelfs nog sterker op de voorgrond treden. Of dat een zegen is dan wel een nieuwe vloek zal afhangen van het soort partijpolitiek dat men bedrijft.

En dan is er nog de onbeslechte strijd om het wezen van de Amerikaanse politiek. Terwijl de gehele politieke klasse – de politici en de ideologen, de partijstrategen en de talkshow-presentatoren, de consulenten en ook de journalisten – zich in het slijk van de affaire-Clinton stortten, vroeg een groot deel van de natie zich af waarom de hele landelijke politiek opeens in het teken stond van een titanenstrijd over de kamertjeszonden van één man in het Oval Office.

Kunnen we lering trekken uit een situatie waarin twee verbitterde partijen met dezelfde feiten voor ogen tot zulke radicaal verschillende conclusies komen over die feiten en over elkaar? Zal ook maar iemand zich anders gedragen na deze gebeurtenissen die alleen maar verergerend hebben gewerkt op een politiek van revanchisme die is begonnen met het McCarthyisme in de jaren '50, of met Richard Nixon in '74, of de benoeming van opperrechter Bork in '87 of die van Clarence Thomas in '91, of praktisch op de dag dat Clinton de drempel van het Witte Huis overschreed?

De meest voor de hand liggende les is dat partijpolitiek verderfelijk is. Maar dat is een verkeerde conclusie. Partijpolitiek, in de juiste zin van het woord, is heilzaam. Ze vereist engagement – niet alleen van individuen, niet alleen omwille van de macht, maar engagement voor een samenhangend geheel van denkbeelden en beginselen. Een krachtmeting tussen partijen is, in het beste geval, een gelegenheid om de keuzen waarvoor burgers zich gesteld zien helder te formuleren.

Maar in de affaire-Clinton diende de partijpolitiek geen principes maar ging uitsluitend over de stellingname tegenover één persoon. Clintons vijanden wilden hem weg hebben omdat ze innig geloofden dat hij fundamenteel verdorven was, een leugenaar en een laaghartige opportunist.

De felheid van de Republikeinse aanval, ondanks de constante signalen dat het publiek de afzetting van Clinton niet wenste, wordt door tegenstanders van de president uitgelegd als een teken van de principiële standvastigheid van Hyde (de voorzitter van de Huis-commissie inzake de afzettingsprocedure) en de prominente Republikeinse afgevaardigden. Maar wie het met hen oneens was, zag het als een overwinning van de partijgeest op het redelijk compromis, die alle verschillen van inzicht tussen de politieke partijen terugbracht tot een obsessie rondom Clinton.

De strijd om het presidentsambt vormde ook een voortzetting van het begrip `politiek met andere middelen'. Het betreft een politiek waarin niet de heftige verkiezingsgevechten om de stem van de kiezer beslissend zijn, maar rechtszaken, Congres-onderzoeken en onthullingen in de media. Hierin speelt partijpolitiek zeker een rol, maar dan wel een van niet geheel democratische aard.

Voor echte partijpolitiek zijn er echte, principiële verschillen van inzicht nodig. Gelukkig gloort daar nog enige hoop. Want ondanks alles wat gezegd wordt over Clintons neiging om op de loop te gaan met Republikeinse politieke thema's, hebben de twee partijen inderdaad fundamentele verschillen van inzicht over de rol van de overheid, hoe hoog de belastingdruk en de begroting zouden moeten zijn, in hoeverre ze de markt mag reguleren, en de vraag of een regering in beginsel een heilzame dan wel een schadelijke kracht is.

Een oorzaak van de felle verdeeldheid inzake de kwestie-Clinton is dat geen van beide partijen thans een overwegende rol speelt. Bij de jongste twee verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden behaalden beide partijen vrijwel evenveel stemmen. Als beide partijen het erover eens zijn dat de verkiezingen van 2000 de beslissende slag moeten worden, en als ze de komende 21 maanden als een aanloop tot de Grote Tweestrijd gaan zien, dan zou dat een terugkeer tot de ware partijpolitiek met zich mee kunnen brengen.

Clinton en de Democraten hebben al een begin van een programma klaar. Als dit schandaal tot gevolg heeft dat de komende twee jaar geen periode van onoprecht gekibbel tussen de partijen wordt maar een van authentieke tweestrijd, dan zou het toch nog een gunstig effect kunnen hebben.

Een andere oplossing, schijnbaar in tegenstrijd met het voorgaande maar niettemin verwant, zou zijn dat de partijen niet langer doen alsof ze het oneens zijn wanneer dat niet zo is. Over veel kwesties verlopen de meningsverschillen dwars door de partijen heen.

Als les één die we kunnen leren van dit gevecht is dat er behoefte bestaat aan de terugkeer van een principiële maar in redelijkheid wortelende partijpolitiek, dan is les twee dat we moeten ophouden te doen alsof het land gewikkeld is in een cultuuroorlog waarin Clinton het prototype van de generatie uit de jaren '60 is.

Voor het handjevol culturele radicalen dat zich laat inspireren door de jaren '60 is de gedachte aan Clinton als politieke held een lachertje. En het is eenvoudig een misvatting dat de cultureel radicalen zich zouden opmaken voor de revolutie. In de ene kwestie na de andere – de kosten van echtscheiding, de problemen van eenoudergezinnen, de wenselijkheid om het tijdstip waarop kinderen hun eerste seksuele ervaringen opdoen uit te stellen, de gevaren van pornografie – blijkt alleen maar dat het land zowel in mening als in gedrag tendeert naar een minder ,,liberale'' houding.

Clinton zelf heeft, ondanks zijn eigen gedragingen, deze verschuiving al aangegeven in zijn retoriek en in zijn beleid. Zij die Clinton vooral als opportunist zien, zouden er meer oog voor moeten hebben dat hij reageert op concrete veranderingen onder de bevolking.

Door dit gevecht is het recht van beide partijen om morele uitspraken te doen verminderd. Hoewel hij oprecht gelooft dat hij en zijn collega's er juist aan hebben gedaan de president voor afzetting voor te dragen, zegt de Republikein McIntosh toch: ,,We hebben terrein verloren wat betreft ons vermogen om ethische kwesties aan te snijden.''

Bij hun verdediging van Clinton hebben ook de Democraten iets van het morele gelijk moeten prijsgeven dat ze hadden in kwesties zoals seksuele intimidatie en de macht van de president. ,,Er heerst een gevoel van onreinheid dat binnenskamers ook wel wordt erkend'', zo gaf een Democratisch partijconsulent toe – binnenskamers, uiteraard. Een gevoel van onreinheid, dat ervaren ook veel burgers die niets met het gevecht uitstaande hadden nu het voorbij is. Dat gevoel zal alleen maar sterker worden als de vijanden van de president hem blijven bestoken met nieuwe aantijgingen – en er is geen enkele reden om aan te nemen dat ze daarmee zullen ophouden. En het zal zeker sterker worden als Clinton tussen nu en het eind van zijn ambtstermijn nog iets doet waaruit zijn tegenstanders nieuwe munitie kunnen vervaardigen. En de president kan het zich niet permitteren zich te verkneukelen, hoe opgetogen hij ook mag zijn dat hij aan zijn afzetting is ontsnapt. Te oordelen naar zijn nuchtere, beheerste reactie op het Senaatsbesluit van vrijdag lijkt hij dit althans voorlopig te beseffen.

Er wordt gezegd dat een groot aantal politici nu zal worden gevraagd naar dingen als overspel en andere privé-zonden. Geloof het maar niet. De vraag die hun moet worden gesteld is hoe ze de onvermijdelijke partijpolitieke conflicten productief kunnen maken; hoe ze een eind denken te maken aan cultuurstrijd en morele gelijkhebberigheid; en hoe ze denken te voorkomen dat zij zichzelf, hun gezin, hun partij en ons allemaal opnieuw in verlegenheid brengen. Laten we dit nooit meer doen.

E.J. Dionne jr. is columnist van de Washington Post en verbonden aan het Brookings Instituut. © The Washington Post Company