Theocratie vs democratie: twee Israels strijden

In Jeruzalem stonden gisteren honderdduizenden ultra-orthodoxe joden tegenover tienduizenden seculiere tegenbetogers. Zij vertegenwoordigden de gepolariseerde samenleving in Israel. Hoe theocratisch of democratisch moet de joodse staat zijn? Zal God het Joodse volk straffen als El Al op zaterdag vliegt?

Dient men Gods zegen af te smeken over een koning, als men hem op de televisie ziet? Of ziet men alleen zijn afbeelding? Moet een geamputeerd been met alle vereiste begrafenisrituelen ter aarde worden besteld? Of alleen de persoon-zonder-been als die wordt begraven? En hoeveel levens, die volgens de Tora heilig zijn, moeten worden geofferd om het Land Israels voor het Joodse volk te bewaren?

Die vragen worden door het orthodoxe jodendom verschillend beantwoord. Want Gods wetten mogen dan wel vaststaan, over de uitleg ervan is er voortdurende discussie.

Eeuwenlang hoefden doorsnee-joden niet al te veel na te denken over wat goed en verkeerd was. Hun wijze mannen, de rabbijnen, beslisten wat individu en gemeenschap te doen stonden. Strenge sociale controle binnen de eigen gemeenschap zorgde ervoor dat iedereen zich aan de halacha, Gods Wetgeving, hield. Wie dat niet deed, werd uitgestoten.

Die zekerheden werden aangetast, toen steeds meer joden – als gevolg van de emancipatie, die hen niet langer volledig afsloot van hun niet-joodse omgeving – op een andere manier probeerden te overleven. Sommigen zochten binnen de orthodoxie naar een mystieke geloofsbelevenis. De assimilanten daarentegen, zegden het jodendom definitief vaarwel.

Twee eveneens rebellerende stromingen wilden wel degelijk binnen het jodendom blijven. De zionisten, die besloten hun lot in eigen handen te nemen en niet langer op de barmhartigheid van God en de niet-joden te vertrouwen. En de liberalen, die de uitleg van Gods strenge wetgeving versoepelden en hun sociaal-religieuze ideeën aanpasten aan hun niet-joodse omgeving. Beide stromingen werden door de ultra-orthodoxe rabbijnen gezien als een uitholling van het jodendom. Tegen beide voeren zij nu al meer dan 100 jaar oorlog.

Maar ook veel orthodoxe rabbijnen stonden bloot aan de keuze tussen het oude, vertrouwde denken en de veranderende tijdgeest. Daarom vervloeken sommige rabbijnen de staat Israel als een schepping die lijnrecht ingaat tegen Gods Wil, aangezien alleen de Messias bij Zijn komst op aarde zo'n staat zal scheppen. Zij weigeren in het dagelijks leven Hebreeuws te gebruiken, de taal van de heilige Tora, en spreken Jiddisch. Anderen zijn er heilig van overtuigd dat de staat Israel het begin is van de Verlossing: de uitvoering van Gods belofte aan Zijn volk. Zij geloven dat de komst van de Messias juist versneld wordt, als de joodse staat het gehele oppervlak bestrijkt van het in de Tora genoemde `Land Israels'.

Die meningsverschillen, inclusief alle maar denkbare variaties, bestaan nog steeds. Daarom werden er gisteren op de massademonstratie van de ultra-orthodoxie in Jeruzalem geen speeches afgestoken. Er waren te veel stokoude rabbijnen die meer dan 40 jaar niet met elkaar hadden gesproken en nu nog steeds niets met elkaar te maken willen hebben. Maar al die rabbijnen zijn het over één ding absoluut eens: de halacha staat boven alle wetten die de mens heeft bedacht of verzonnen. Zowel individu als groep moet God met goede daden in de gelegenheid stellen de wereld te zegenen. Daarom is het een ramp als El Al op zaterdag vliegt. Dan zal God het Joodse volk streng straffen.

Die rotsvaste overtuiging brengt de ultra-orthodoxie in toenemend conflict met de meerderheid van de joden, zowel binnen als buiten Israel. Die willen steeds meer naar eigen inzicht hun leven leiden. Uiteraard verscherpte zich dat conflict toen de staat Israel werd gesticht. In de diaspora immers hadden joden, als minderheid, geen politieke macht, in Israel wèl.

Volgens de ultra-orthodoxe rabbijnen is het een vervloeking van God, dat deze staat, die zich – oh gotspe – `de joodse staat' noemt, democratische beginselen en instellingen zwaarder laat wegen dan Gods wetgeving. Zij zeggen nooit dat zíj in de door hen gewenste staat moeten bepalen wat voor het volk goed en slecht is. Want dat is vanzelfsprekend. Zegt niet de Tora dat de joden op God en hun rabbijnen moeten vertrouwen?

Tientallen jaren werd die machtsstrijd beslecht door een serie wederzijdse compromissen. Het seculiere Israel probeerde de rabbijnen zoveel mogelijk terwille te zijn. Want bijna alle zionistische leiders kwamen van orthodoxe huize. En velen hadden een onderdrukt schuldgevoel ten aanzien van hun vaders en de rabbijnen, tegen wie zij waren opgestaan. Zelfs de ongelovigen voelden zich tot op zekere hoogte verplicht aan de rabbijnen, die het volk 2000 jaar lang met behulp van Gods wetten bijeen hadden gehouden.

Vandaar dat David Ben Gurion, de stichter van de staat, zoveel mogelijk rekening hield met hun wensen. Heel het Joodse volk was volgens een oud adagium elkaars broeders en kameraden. De socialistische zionisten wilden die eenheid onder geen beding verstoren, zeker niet nu het grootste deel van de orthodoxie door de nazi's was uitgeroeid. Dus werd besloten de staat niet van een grondwet te voorzien, aangezien de orthodoxie slechts Gods wetgeving als grondwet erkende. Tevens kregen de orthodoxe rabbijnen alle rechtsbeslissingen in handen betreffende huwelijk, echtscheiding, bekering naar het jodendom, begrafenissen en kashroet (het kosher verklaren van voedsel, restaurants en hotels).

Van hun kant haalden ook de rabbijnen niet het onderste uit de kan. Zij konden slechts op maximaal 15 procent van de Israelisch-joodse bevolking rekenen en zij wisten, met hun eeuwenoude ervaring, dat machtsverhoudingen pas veranderen als God de tijd daarvoor rijp acht. Dus nam in de jaren '40 en '50 een deel van de orthodoxie – mede onder indruk van hetgeen er tijdens de Holocaust was gebeurd – zelfs deel aan de opbouw van de staat. Maar daarna trok zij zich steeds verder terug in zelf geschapen getto's, waarin men `een volledig joods leven' kon leiden en de verleidingen van `het andere Israel' kon weerstaan.

Twintig jaar lang omzeilde men in Israel angstvallig de keus tussen een Godsstaat en een wereldlijke staat. Tot de juni-oorlog van 1967, toen Judea, Samaria en Gaza veroverd werden. Dat stelde de orthodoxe zionisten in de gelegenheid om in hun nederzettingen in dit bezette, maar voor de kolonisten `maagdelijke' gebied Gods wetgeving door te voeren – en daarmee zowel God als de staat te dienen.

Maar vervolgens gooide het vredesproces, eerst met Egypte en daarna met de PLO, roet in hun koshere eten. Er werden stukken van het Beloofde Land opgegeven, terwijl de verovering van die gebieden juist de Verlossing en de komst van de Messias naderbij hadden moeten brengen. ,,Wat hebben wij fout gedaan?'', vroegen de orthodoxe zionisten zich af.

Volgens professor Avi Sagi van de orthodoxe Bar-Ilan Universiteit in Tel Aviv was de conclusie dat men had gezondigd door onvoldoende te luisteren naar hetgeen de ultra-orthodoxie zo lang had gesteld. Zo werden de gematigd-orthodoxe zionisten nog verder in het kamp van de ultra-orthodoxie getrokken en kwamen de onderhuidse conflicten met de wereldlijke staat steeds meer naar boven. Yigal Amir bij voorbeeld is er nog steeds van overtuigd dat hij God heeft gediend en Israel en het Joodse volk heeft gered door premier Rabin te vermoorden. Velen zijn het met hem eens.

De uit Jemen geïmmigreerde ouders van Yigal Amir zijn sefardim, joden afkomstig uit de Arabische wereld. Het merendeel van deze sefardim was naar Israel gekomen, omdat zij geloofden in het messianistische karakter van de staat. Zij werden echter, samen met hun cultuur en hun rabbijnen, niet voor vol aangezien door de dominante, zionistische pioniers van ashkenazische huize. Voor het merendeel waren zij op religieus gebied traditioneel en gematigd. Maar in de religieuze leerscholen waar zij werden opgeleid door de ashkenazische (uit West- en Oost-Europa afkomstige) rabbijnen leerden zij de ideeën kennen van de ultra-orthodoxie. Die ideeën bevielen hun omdat ze bevestigden wat ze zelf al hadden ervaren: dat de overheid en de staat, die hen discrimineerden, ver van God stonden.

Zij namen afstand van hun ashkenazische leermeesters, maar hun ideeën namen zij wèl over. Zo ontstond de politieke partij Shas, die onder leiding van ultra-orthodoxe rabbijnen zich inzet voor de sociale noden van de sefardim. Shas, inmiddels met tien zetels in het parlement de derde politieke partij van Israel, groeit razendsnel. De partij heeft haar eigen, nauwelijks door de staat gecontroleerd schoolsysteem.

Alleen al het afgelopen jaar nam het aantal leerlingen op de lagere scholen van Shas toe met 22 procent en het aantal kinderen in hun kleuterscholen met ongeveer 17 procent. Want Shas zorgt goed voor zijn volgelingen, die dankzij hun kinderrijke gezinnen vaak zeer armlastig zijn.

Shas en de andere orthodoxe, politieke partijen hebben echter steeds meer geld nodig om hun religieuze leerscholen en hun sociale zorg te bekostigen. Dat geld krijgen ze van de grote, niet-religieuze partijen uit de staatskas. In ruil daarvoor geven zij met hun stem die partijen regeringsverantwoordelijkheid. Deze kostbare subsidies zijn voor de niet-orthodoxen onverteerbaar, omdat zíj er financieel voor moeten opdraaien.

De juni-oorlog van 1967 en het vredesproces met de Arabieren hadden nòg een gevolg. Door het afnemende gevaar van buitenaf ontkrampte de Israelische samenleving, waardoor tal van taboes bespreekbaar werden. Zoals wettelijke erkenning van homoseksuelen, meer rechten voor de vrouw en minder privileges voor de ultra-orthodoxie, die zich aan de dienstplicht kan onttrekken. Allemaal thema's waarvan orthodoxe Israeliërs slechts kunnen huiveren.

Daardoor polariseerde de samenleving. Dat werd nog verder aangewakkerd toen de liberale joden, aangemoedigd door hun succes en hun macht binnen de Amerikaans-joodse gemeenschap, niet langer genoegen namen met hun tweede rangspositie. Tientallen jaren hadden zij de scheldwoorden van de orthodoxie nauwelijks beantwoord. Zij waren immers `weggelopen joden'. Maar de schaamte die zij vroeger daarover hadden, is verdwenen. Dus eisen zij nu het recht op om als gelijkwaardige joden te worden erkend. Dat is voor de orthodoxie onacceptabel. ,,Ze hebben kerken gebouwd die ze synagoges noemen'', zegt een rabbijn, die niet eens zo vreselijk orthodox is. ,,En ze bedriegen de zaak door steeds meer water bij de wijn te doen en dan te verkondigen dat ze eersteklas Bordeaux schenken. Ze zijn moordenaars van het jodendom, Hitler in een andere vorm.''

Al die tegenstellingen werden door de grote politieke partijen de afgelopen 50 jaar genegeerd. Zij vonden de ideologische strijd tegen elkaar te belangrijk. En ze hadden de orthodoxie nodig om in het zadel te komen of te blijven. Daarom nam het parlement geen beslissingen over de elementaire vraag hoe democratisch of theocratisch de staat Israel moest zijn. Die vraag werd afgeschoven naar de rechtbanken en uiteindelijk naar het Hooggerechtshof.

Toen dat hof op grond van de bestaande wetgeving heel behoedzaam een paar oordelen velde die de orthodoxie niet bevielen, was het hek van de dam. De voormalige Opperrabbijn van Israel, Ovadia Yosef, thans geestelijk leider van Shas, vroeg op de televisie: ,,Wil de natie zulke boosaardige rechters?'' En de organisator van de ultra-orthodoxe demonstratie van gisteren beloofde ,,hun (de wat minder gelovigen) te laten zien dat er geen macht is die het tegen de wet van de Tora kan opnemen''.

Het is duidelijk dat de `democratische partijen', die om het hardst met elkaar wedijveren om de gunsten van de ultra-orthodoxie, zichzelf en de staat Israel in het verderf storten als zij op de huidige weg doorgaan. De `twee Israels', die inmiddels zijn ontstaan, raken in het dagelijks leven steeds verder met elkaar verknoopt. Maar zij komen ideologisch en sociaal steeds verder van elkaar af te staan als er geen grenzen worden gesteld aan de machtshonger van de ultra-orthodoxie.

Helaas is er tot dusver, ondanks alle voorspellingen van een naderende burgeroorlog, geen enkel teken dat die partijen een andere weg inslaan. Daarom waren hun lijsttrekkers en leiders – Netanyahu, Ehud Barak en Mordechai – opvallend afwezig bij de contra-demonstratie van de anti-orthodoxen.