Stomalobby krijgt geen blanco cheque van Borst

De kosten van medische hulpmiddelen stijgen zo snel dat minister Borst (Volksgezondheid) wil ingrijpen. Dat laten patiëntenverenigingen niet over hun kant gaan. En veel Kamerleden haken daar graag op in.

Wie bepaalt hoeveel incontinentieluiers iemand per dag op kosten van de premiebetaler krijgt? Of hoeveel stomazakken? Hoeveel moet iemand bijbetalen voor aangepast schoeisel? En hoe lang moet iemand doen met een gehoorapparaat voor hij een nieuw vergoed krijgt?

Lange tijd leken de verschillende patiëntenverenigingingen, vaak door de leveranciers via medisch specialisten gesponsord, het voor het zeggen te hebben. Ook nu, bij twee debatten over hulpmiddelen, waren ze weer in groten getale aanwezig op de publieke tribune van de Tweede Kamer. Niet dat ze het woord voerden, dat deden de specialisten van de verschillende fracties. Maar wat die zeiden kwam vaak rechtstreeks uit de koker van de belangenverenigingen. Zij bestookten de Kamerleden met briefjes tijdens het debat of gaven aanwijzigingen in de pauze.

Maar deze keer hadden ze het moeilijker. Het debat ging over het `plan van aanpak' voor hulpmiddelen dat minister Borst (Volksgezondheid) en staatssecretaris Vliegenthart (Welzijn) in november publiceerden. Dit plan moet de snelle groei van de uitgaven voor hulpmiddelen afremmen, zoals afgesproken in het regeerakkoord. Om de kosten enigszins in de hand te kunnen houden, voorziet het plan in maatregelen die over drie jaar zo'n tweehonderd miljoen gulden moeten opleveren. Ook dan nog resteert een overschrijding van het budget met zeker honderd miljoen gulden, een kostenpost waarvoor de minister elders in de zorgsector geld moet zien te vinden.

De lobbyisten van de stomapatiënten, de incontinentiepatiënten en de gehoorgestoorden hadden hun werk het beste gedaan: alle fracties noemden het onaanvaardbaar wat de minister voor deze groepen patiënten had voorgesteld. De minister had hen niet alleen onvoldoende gehoord, ze nam ook `onfatsoenlijke maatregelen' (Tweede-Kamerlid Kant, SP), die de `menswaardigheid' van de patiënten aantasten (CDA'er Buijs).

Deze kwalificaties golden de maatregel van de minister om de verstrekking van hulpmiddelen aan iets strakkere regels te binden. Op hoeveel luiers of stomazakken een patiënt dagelijks aanspraak kan maken, heeft de minister in een regeling vastgelegd die is gebaseerd op adviezen van deskundigen en op de huidige gebruikscijfers. Maar er is ook een ontsnappingsmogelijkheid: als de voorschrijvende verpleegkundige of arts van mening is dat de betrokken patiënt daar niet goed mee uit de voeten kan, kan hij meer zakken of luiers vergoed krijgen.

Het grootste deel van het debat concentreerde zich op deze vergoedingsregeling. Lange tijd kreeg de publieke tribune de indruk dat die ingreep van tafel zou gaan: vrijwel alle fracties leverden er forse kritiek op. Het merendeel van de Kamerleden vond dat de patiënt zelf moest kunnen bepalen wat hij gratis nodig heeft.

Maar Borst weigerde een blanco cheque af te geven. Minister en staatssecretaris hielden hun plan van aanpak, inclusief de omstreden maatregel, overeind. Borst zegde de Kamer alleen toe dat ze de uitvoering ervan vanaf het begin kritisch zou laten volgen. In het najaar zal ze dan bezien of een aantal normen misschien moeten worden aangepast.

De drie regeringspartijen moesten toen door de bocht. De PvdA deed dat als volgt: Nadat de minister hardop had gezegd wat ze al in de vergoedingsregeling had opgeschreven, namelijk dat arts of verpleegkundige de hoeveelheid vergoed materiaal kan verruimen, verklaarde de fractie dat ze haar doel had bereikt. De minister tastte nu immers het belang van de patiënt niet meer aan. Hoongelach en het verwijt te zwalken vielen de fractie ten deel.

Ook VVD en D66 die in eerste instantie genuanceerder maar wel kritisch over het plan van Borst hadden gesproken, moesten door de bocht. Maar de VVD sleepte daar, met succes, nog een motie uit waarin de minister wordt gevraagd haar maatregel om de gebruiksduur van gehoorapparaten te verlengen van vijf tot zeven jaar in te ruilen voor een door de patiëntenvereniging en industrie gezamenlijk opgesteld alternatief. En D66 kreeg van Borst de toezegging dat ze vóór invoering van de maatregel (op 1 april) overlegt met stomapatiënten en doven over mogelijke aanpassingen.

Onder Paars I had de druk van belangenverenigingen meer succes. Als Borst daar op haar schreden terugkeerde, zoals ze onder meer deed met haar voornemen kunstgebit en `pil' uit het ziekenfonds te halen, kon ze de rekening bij het kabinet neerleggen. Maar die tijd is voorbij. In Paars II weet Borst dat ze er geen geld meer bijkrijgt. De incontinentieluiers en stomazakken kunnen daarom wel eens een keerpunt vormen.