Schönberg ook na 93 jaar fascinerend

Sommige werken raken nooit meer verlost van hun revolutionair elan. Het gevecht dat Arnold Schönberg leverde met de uitgebluste tonaliteit blijft tot op de dag van vandaag fascineren. Verreweg het beklemmendste werk zaterdag in de Matinee was naast Stockhausen en Kurtág dan ook het oudste: Schönbergs Erste Kammersymphonie in E op. 9 voor 15 solo-instrumenten uit 1906. De Weense pers verwierp deze wilde en onverzorgde `Demokratengeräusche' als een aanval op de heilige eeuwige en onvergetelijke muziek. Schönberg schreef overigens in een brief uit 1914 dat hij nu pas zijn eigen werk volledig had begrepen! Over Mahler noteerde hij: ,,De architectuur kraakt, alle verhoudingen staan onder druk. Het mooiste zijn de tere ijle klanken.''

Ook in zijn eigen Erste Kammersymphonie kraakt het in een hoogste concentratie aan klank, motief, contrapunt en harmoniek. Het kraakt ook in de verhouding tussen dominerende blazers en klemzittende solostrijkers. De fluitist zit naast de strijkers en in het midden is de altviool geheel geïsoleerd. En Schönberg wilde in alle latere ingrepen door weglatingen de transparantie nog verhogen en het solistische element versterken.

Ook zaterdag waren er balansproblemen en in snelle passages vielen de dynamische tekens onder tafel, zoals in maat 56. Alles is daar pianissimo, twee korte motiefjes van fagot en Engelse hoorn uitgezonderd. Dit is dan ook verkapte kamermuziek waar je met enkele specialisten eigenlijk maanden aan zou moeten kunnen werken.

Iets vergelijkbaars bleek in de balans van het eerste werk: György Kurtágs Liederen van Wanhoop en Verdriet, op. 18. Kurtág is een meester in pregnante miniaturen in kleine bezetting en dan is het even wennen wanneer daar begeleid door een klein ensemble een volledig bezet Groot Omroepkoor uitpakt in een stevige soldateske stijl!

Zoals Schönberg maar een enkele keer inhoudt als in een surrealistische statische sterrenhemel, zo ook verrast in het tweede lied Kurtág ons toch nog met de voor hem zo typerende verstilde mystiek. ,,Het kanaal is bevroren'' dicht Alexander Blok, zoals Osip Mandelstam het heeft over ,,trommelen op een bevroren houten kist.'' Kurtágs bevroren muziek ontdooit mij te snel in een modderige woelige on-Kurtágiaanse opwinding. Voor het koor zijn deze liederen een hele klus, de sopranen hebben het geweten, het orkestje daarentegen heeft slechts een eenvoudige ondersteunende functie. Kurtág-achtig zijn de vier accordeons.

Ten slotte was er een uitstekende uitvoering van Karlheinz Stockhausen's Drei Lieder voor alt en kamerorkest, al moest Elisabeth Laurence een enkele maal forcerend het borstregister aanspreken. Deze muziek van een 23-jarige werd in het naoorlogse moderne muziekcentrum Darmstadt aanvankelijk als ouderwets geweerd. In deze tijd wilde Stockhausen schoolmusicus worden en hij zou op een analyse van een werk van Bartók afstuderen. Ook Hindemith, Schönberg, Berg en Hermann Heiss zijn in de Drei Lieder van de partij. Toen de schoolmusicus een partituur van Schönberg aan het afdelingshoofd toonde, reageerde deze met: ,,Schönberg hadden ze samen met Hitler als klein kind moeten laten verzuipen.''

In deze wreed groteske overgangstijd waarin Duitsland maar hoogst moeizaam opkrabbelde, ontstond dit al even wreed groteske werk. In de gevarieerde ritmiek en de contrasterende instrumentenkleuringen kan men Stockhausen horen vooruitlopen op zijn latere seriële experimenten. Toch blijft het een onkarakteristieke, zoekende muziek. Het was zaterdag Schönbergs het Opus 9 dat alles deed verbleken, een muziek die ontstijgt aan begrippen als goed of slecht, mooi of lelijk. Om met Freud te spreken: ,,De kunstenaar voelt slechts de aandrift waaraan hij heeft te gehoorzamen en wij gehoorzamen hém.''

Concert: Radio Kamerorkest en Groot Omroepkoor o.l.v. Simon Halsey en Peter Eötvös, met Elisabeth Laurence, mezzospraan. Werken van Kurtág, Stockhausen en Schönberg. Gehoord: 13/2 Concertgebouw Amsterdam. Uitzending Radio 4: 17/2 20.02 uur.