Originele blik op het proces van Eichmann

Onder Duitse intellectuelen moge een beweging zijn ontstaan om wat minder nadrukkelijk, vaak en schuldbewust stil te staan bij Nazi-Duitsland, op het filmfestival in Berlijn, de Berlinale, is daarvan weinig te merken. De eerste dagen van het festival leken vorige week zelfs helemaal in het teken van de Tweede Wereldoorlog te staan. De openingsfilm bijvoorbeeld was de Duitse speelfilm Aimée & Jaguar van Max Färberböck, over een lesbische relatie in Nazi-Berlijn – een niet geheel geslaagde opeenstapeling van politiek-correcte thema's. Daarna ging een door Steven Spielberg geproduceerde documentaire over de moord op de Hongaarse joden in première, The last days van James Moll.

Goede films zijn maar zelden politiek-correct, zoals The Specialist van de Israeliër Eyan Sivan aantoont. Het is een zeer onverwachte, originele montage uit de ongeveer 350 uur videobeelden die bewaard zijn gebleven van het proces tegen Adolf Eichmann, in 1961 in Jeruzalem. Gemaakt uit irritatie: filmmaker Sivan meent dat het Eichmann-proces als legitimatie heeft gefungeerd voor latere wandaden van de Israelische staat, zoals de inval in Libanon. Maar al te veel probeert de film gelukkig niet te bewijzen en de woede van de maker draagt voornamelijk bij tot een originele blik op het proces.

De geschiedenis speelt ook een rol bij twee in Berlijn met spanning verwachte speelfilms. Shakespeare in love van John Madden, met Oscar-nominaties overladen, bleek bij zijn Europese première een rijk-gekostumeerd vehikel voor flauwe, op anachronismen gebaseerde grapjes. Je vraagt je af of scenarioschrijver Tom Stoppard zich niet een beetje moet schamen voor dit kinderachtige verhaal, over hoe Bill Shakespeare door de liefde voor een onbereikbare, adellijke dame op het idee voor Romeo en Julliet komt. Ook Juha van de Fin Aki Kaurismäki was een beetje een afknapper. De film is een poging tot terugkeer naar de stomme film, met zijn typische esthetica – Kaurismäki behoort tot degenen die vinden dat de invoering van geluid rond 1930 de filmkunst geen goed heeft gedaan. Juha is een melodrama over een boerenmeisje dat door haar verleider wordt ontvoerd en in de stad in de prostitutie moet werken – rijkelijk opgetuigd met filmhistorische verwijzingen. Daarin ligt ook het probleem van de film. Juha maakt de indruk van een pastiche op de stomme film, in plaats van de beloofde wederopstanding van deze kunstvorm.

Ook uit het Hoge Noorden kwam echter de mooiste speelfilm tot nu toe van de Berlinale, de Deense inzending Mifune's sidste sang van Soren Kragh-Jacobsen. Het is de derde film voorzien van het Dogma-keurmerk, minder extreem misschien dan de eerdere bijdragen aan de serie van Van Trier of Vinterberg, maar daardoor eigenlijk ook geloofwaardiger in zijn de maatschappelijke normen ten aanzien van liefde en gezin ondergravende strekking.

De mooiste film die ik tot nu toe in Berlijn gezien heb, is echter een documentaire: Models van de Oostenrijker Ulrich Seidl. Van hem was eerder, op het IDFA in Amsterdam, Tierische Liebe te zien, over zeer ver doorgevoerde liefde voor huisdieren – die ook veel toeschouwers trouwens te ver ging. In Tierische Liebe ging de documentaire over in een speelfilm – als toeschouwer begreep je geleidelijk dat sommige scènes niet echt konden zijn. In Models, aangekondigd als een speelfilm, bewandelt Seidl de omgekeerde weg: langzamerhand realiseert de filmkijker zich met schrik dat deze volstrekt zinledige betrokkenheid van de meisjes met hun eigen schoonheid, en de sadomasochistische verhoudingen tussen model en fotograaf niet gespeeld zijn, maar écht. In deze richting blijkt het wegvallend onderscheid tussen documentaire en speelfilm pas werkelijk tot venijnige resultaten te kunnen leiden.