Koning van de straat

In het rijk der wijsneuzen is Louis van Gaal koning. Hij heeft altijd gelijk. Een keer ongelijk hebben is een nederlaag, een vernedering die hem boos en mogelijk tot op het bot ziek maakt. Vanwaar anders dat superieure gedrag en die laatdunkende houding jegens mensen die een andere mening zijn toegedaan? Vanwaar het gevoel dat hij in Amsterdam, in Nederland, in Spanje of waar ook ter wereld als enige meent te weten waarover hij spreekt? Is dat niet voer voor psychologen?

Als een jongen die in zijn adolescentie is blijven steken, zoekt hij het gevecht. Wanneer hij moet vechten, is hij in zijn element. Gelijk hebben, winnen en kampioen worden, zonder heeft hij geen rust. Niets anders boeit hem. Hij zoekt uitdagingen. Wie hem niet uitdaagt, daagt hij uit. Kom maar op! Laat maar eens zien wie de grootste heeft! Lachend zoekt hij dan steun bij de jongensclub waarvan hij zich tot leider heeft laten uitroepen.

De dagen van ouderdom, van berusting en wijsheid zijn nog ver. Nog steeds wil hij als in zijn beste dagen als voetballer de bal zolang mogelijk aan zijn voeten houden. Kort draaiend, de bal afschermend, vertrouwend op zijn tot in perfectie geoefende balbeheersing. Balbezit is het veiligst, de bal afgeven houdt risico's in. Een medespeler is wellicht wat anders van plan. Wantrouwen lijkt zijn leven te hebben bepaald. Wie hij niet voor zich kan winnen, mag niet meespelen in zijn levenswerk.

Beweerd wordt dat hij voor niemand bang is. Met de borst vooruit stapt hij door het leven. Zo wandelde hij door Amsterdam, zo wandelt hij nu door Barcelona. Stoer, sterk en onverschillig als een bokser die voor een titelgevecht in zijn witte onderbroekje op de weegschaal staat, kijkt hij de wereld aan. In zijn ogen schuilt altijd achterdocht. Het is de angst dat er iemand op de loer ligt die hem in de rug aanvalt. Altijd als een cowboy met zijn hand aan de holster. Is dat zijn manier van gelukkig zijn?

Wanneer hij en zijn kameraden de vijand hebben verslagen, klimt hij op het schavot, toont hij dronken van geluk zijn jachttrofee en geeft hij de slachtoffers die hij zojuist heeft gemaakt met een satanische grijns een schop in hun lendenen. Intussen zijn kameraden en hun verwanten opzwepend tot indianengehuil. Wat zijn dat voor triomfen? Is dat sport? Is dat de manier die we kinderen willen leren, zo sport te beleven, zo een overwinning te vieren?

Straatvechters worden mensen als Van Gaal genoemd, alsof er enig respect uitspreekt. Nog geen twee maanden geleden werd hij verguisd in Barcelona. Met al die kameraden van vroeger uit zijn eigen straat, meende hij Spanjaarden te moeten vertellen hoe ze zich dienden te gedragen en te voetballen. Het eerste elftal met al die Nederlanders speelde als een kennel ontheemde straathonden, de jeugd met al die afgewezen Spaanse talenten stond onderaan in de tweede divisie. Weg moest Van Gaal, die wijsneus die als een Nederlandse missionaris vertelde dat Spanjaarden niet deugden en niet konden voetballen.

Nu voert Barcelona de Spaanse ranglijst aan (de jeugd staat nog voorlaatste) en geniet de koning van de straat van zijn verworven gelijk. Ingetogen, lijkt het. Maar diep van binnen gloeit zijn hart als een vuur dat zich nooit laat blussen. Onvermijdelijk ontploft hij binnenkort. Dan wordt hij weer gek van vreugde en roept hij tegen iedere potentiële vijand dat hij de beste is. In zijn soort is Louis van Gaal inderdaad de beste. Daar twijfelt niemand aan.