`Hier, rotpa, hier heb je er een'

Met het generatieconflict is iets eigenaardigs aan de hand: het is verdwenen. Nadat enige eeuwen lang de tegenstelling tussen vaders en zonen steeds weer hoog opliep, hoor je er nu haast nooit meer over. En dat terwijl het generatieconflict vroeger zo hevig was dat Freud met zijn Oedipus-complex het idee ingang kon doen vinden dat het diepste verlangen van iedere zoon bestaat uit het doden van zijn vader. Een romantisch idee, maar achterhaald.

Uit recent onderzoek blijkt dat ouders en kinderen het best met elkaar kunnen vinden. Terwijl vroeger – om erger te voorkomen – de kinderen onmiddellijk na de middelbare school het ouderlijk huis verlieten, kost het de ouders van nu steeds meer moeite om de kinderen het huis uit te krijgen.

Wat deden die vaders dan vroeger zo verkeerd? We gaan te rade bij een van de gloeiendste afrekeningen met ouders die in Nederlandstalige jeugdherinneringen te vinden is. Dat is ongetwijfeld Apie Prins (1884-1963), de enige zoon van een chique huisarts in Heemstede en Haarlem. Zijn autobiografie `Ik ga m'n eige baan' werd bij verschijnen, kort na zijn dood in 1963, goed ontvangen. Maar dat was in de jaren zestig, toen voor het laatst massaal bij jongeren het idee leefde dat zij zich van autoritaire vaders moesten ontdoen.

,,M'n vader was nooit vertrouwelijk met me, behalve op het verkeerde ogenblik en op de verkeerde manier.'' Prins had geen herinnering aan paardje rijden op vaders rug of hand in hand wandelen.

,,Natuurlijk heb ik als klein jochie toenadering gezocht en naar zijn hand gegrepen, maar hij stootte me af. Het ging van hem uit. Hij was geen vader, hij was een voortbrenger.''

Wat had hij verder te mopperen? Hij vond dat hij opgegroeid was in `een conventionele, snobistische kliek'. Het contrast tussen de gedienstige echtgenoot in het openbaar en de respectloze bullebak in het gezin die zijn moeder kleineerde was zo vals: ,,Hij noemde haar `mens' als ze iets gedaan of gezegd had dat niet naar z'n zin was en anders vrouw: `Vrouw, laat de kinderen niet zo'n kabaal maken als ik de krant lees' of `Wat eten we vandaag, vrouw?' behalve wanneer er mensen waren, dan was ie poeslief tegen haar, Mimi voor en Mimi na, en als de visite dan vroeg: `Hoe gaat het met de kinderen? Braaf ondeugend zeker, hè?' Dan zei ie met een wanhopig gebaar van z'n armen en een schijnheilig lachje: `Dat moet je maar aan Mimi vragen, hoor, ik bemoei me niet met hun opvoeding.' Bah! maar zoals hij `mens' tegen haar zei was het alleen minachtend en beledigend.''

Maar op haar tijd kon moeder ook doodvallen: ,,Ze kon me toch ook straffen en daarom vertrouwde ik haar evenmin als m'n vader en als ik iets gedaan had en ik moest `bekennen', was zij ook m'n vijandin en nooit m'n echte vriendin en alle jongens praatten net zoals ik over `zullie' als een noodzakelijk kwaad waar je zo nu en dan wel eens iets aan kon hebben of van kon krijgen maar je had meer last dan plezier van ze.''

De frustratie van de zoon resulteert in herinneringen aan het in het weiland schoppen ,,tegen een koeienstrontpannekoek: hier, rotpa, heb je d'r één, hier, nòg een.''

Hij gedroeg zich zo dat hij steeds moest horen dat hij ondankbaar was en dat zijn vader er ernstig over dacht hem op een strenge kostschool te doen. Prins had nog een lange afhankelijkheid van zijn vader voor de boeg en dat vervulde hem met weerzin tegen studeren.

Voetballen deed hij met overgave. Hij was met HFC kampioen van Nederland. De praatjes over de offers die de ouders voor zijn studie medicijnen zouden moeten brengen, maakten hem ziek: ,,Als ik niet enthousiast was, zei hij dat het een prachtig vak was en een roeping en wou ie weten wat ik dan worden wou, als ik geen dokter wou worden, maar ik wist het niet, ik had nergens zin in en dacht houd op met dat gezanik.''

De pogingen om alsnog een betere verstandhouding op te bouwen kwamen te laat. Tijdens een voetreisje naar Duitsland maakten ze geen ruzie: ,,Maar we waren twee vreemden en hebben geen vertrouwelijk woord gewisseld en hadden daar ook geen van beiden behoefte aan.''

Bij het op afstand houden van zijn vader schuwde Prins geen middel, zeker niet als die in dronkenschap iets goed wilde maken. ,,Hij stond te persen om iets te zeggen, maar hij wist blijkbaar niet hoe hij het inkleden moest. Ik zei niets. Ik wachtte m'n tijd af en was op m'n qui vive. Eindelijk kwam het hoge woord eruit. `Ik ben misschien niet altijd even... aardig tegen je geweest... misschien heb ik je niet altijd... goed begrepen!' Ik dacht: dat is het verschrikkelijkste wat me overkomen kan.''

De jonge Prins goot een pul bier in vaders jaszak leeg, ,,terwijl hij doorzeurde over zijn dronkemansspijt. Toen het bier door zijn jaszak op zijn broek begon te siepelen gaf hij een schreeuw en riep: godverdomde smeerlap! en rende weg met een straal bier achter zich aan. Goddank, ik was van zijn poging tot toenadering af!''

Prins werd géén arts, maar leefde als bohémien en flirtte met het communisme. De zorg voor zijn dochter uit zijn huwelijk met de trouwe bolsjewiste en vertaalster Russisch A. MacDonald liet hij aan de moeder over. In zijn nadagen was hij een bekende (en – blijkens de foto achterop Ik ga m'n eige baan met ooglap en morsige pet – vervaarlijke) verschijning in Amsterdamse kroegen.

Zijn verslag van een zich honderd jaar geleden afspelend wurgend generatieconflict in een hoog burgerlijk milieu is zijn meest blijvende prestatie geweest. In dat verslag wordt ook al duidelijk waarom de jaren zestig de laatste stuiptrekking van de opstand tegen de ouders waren: de financiële afhankelijkheid van de kinderen was toen al veel minder geworden.

Sindsdien is de materiële vrijblijvendheid in het gezin alleen maar sterker geworden en is in veel opzichten een omkering van de aloude verhouding tussen de generaties manifest geworden: ouders hebben hun kinderen steeds vaker nodig om nog enigszins uit het moderne leven wijs te kunnen.

Apie Prins, Ik ga m'n eige baan. (Amsterdam, Bezige Bij 1963)