Frankrijk gebruikt euro niet voor nationaal belang

In de discussie over de verhouding tussen dollar, euro en yen stelt Frankrijk zich Europees op, meent A.H.D. Ingen Housz.

Onder de titel `De euro is hèt wapen in een lange oorlog' verscheen op 2 januari in NRC Handelsblad een uitdagend artikel van de hand van P. Frentrop over de Franse machtspolitiek ten aanzien van de Angelsaksen. Nu de Franse minister van Financiën, Strauss-Kahn, zich vorige week voor het eerst in het openbaar over de verhouding tussen euro en dollar heeft uitgelaten is een Nederlandse reactie vanuit Parijs op zijn plaats.

Frentrop herleidt de eerste moeilijkheden tussen Fransen en Angelsaksen tot het jaar 1066 wanneer Willem de Veroveraar koning van Engeland wordt, en schetst de rol van de Britten als de aartsvijanden van Frankrijk. Na 1945 ging in deze strijd het primaat over op de Amerikanen die als erfgenamen van het Britse wereldrijk, de `euvele' moed hadden Frankrijk te bevrijden. Maar De Gaulle `sloeg terug'. Toen hij de achilleshiel van de VS wilde treffen, bood hij aan `alle dollars die hij kon vinden' om te wisselen in goud, hetgeen Nixon in 1971 tenslotte `dwong' de gouden standaard los te laten. In de ban van inlichtingenwerk doet Frentrop een boekje open over Frans-Amerikaanse rivaliteit in Rwanda, Congo en de olieproducerende landen in Centraal-Azië. Sappig weidt hij uit over economische spionage, nieuwe dollarbiljetten en het euro-hologram. Tenslotte geeft hij zijn visie op acties van Franse boeren die vrachtwagens met buitenlandse producten moeten `mogen' omkieperen.

Frentrop schudt zijn hoofd bij de gedachte dat Nederland, dat via de EU het Franse `kamp' is binnengetreden, wel eens vergeet dat de Fransen al bijna een millennium lang met de Angelsaksen `oorlog' voeren. Hoofddoel van Parijs is toch Europa ,,op te bouwen tot machtsblok dat het Amerikaanse imperium kan weerstaan'. Het nieuwe instrument in die strijd, de euro, zou Mitterrand aan Kohl hebben afgetroggeld in ruil voor medewerking aan de Duitse hereniging. Voor de lezer die het nog niet had begrepen, merkt Frentrop op dat Mitterrand daarmee on-Franse budgettaire discipline aanbood ,,alsof het overheidsbudget er niet is ter meerdere eer en glorie van het vaderland, zoals alle grote gebouwen in Parijs en Versailles getuigen'.

Is deze analyse daags na de invoering van de euro een (nog) in Nederland levend standpunt? Frentrops artikel ademt een geest van déjà vu, van overwegingen die in de jaren zestig actueel waren maar in het euro-tijdperk hun relevantie hebben verloren. Ook al projecteert Frentrop de volgende etappe van de `duizend jaar durende oorlog' op de computerschermen van wisselarbitrageurs (,,stijgt de koers van de euro tegenover de dollar dan zijn de Fransen aan de winnende hand...'), de werkelijke vraag is wat Euroland (en niet Frankrijk) gaat doen met de euro.

De huidige discussie over de wenselijke verhouding tussen dollar, euro en yen wijst er allerminst op dat Parijs op dit terrein in zijn eentje wenst te handelen. Sterker, in een interview met de Financial Times van afgelopen vrijdag stelt Stauss-Kahn voor dat Frankrijk gaat bemiddelen in het Duits-Amerikaanse dispuut over targetzones. De Franse minister, die in 1997 in Amsterdam de man achter de schermen van de instelling van de `Euro-11' was, acht de tijd rijp voor een serieus debat over de permanente onevenwichtigheid van de lopende rekening van de betalingsbalansen van enerzijds de EU en Japan (overschot) en anderzijds de VS (tekort).

Aan Frentrop moet worden toegegeven dat Frankrijk met de euro een lang gekoesterde wens heeft vervuld: het heeft zich bevrijd van de overheersing van de D-mark. Tegelijkertijd is het zich evenwel bewust van de prijs voor de voortaan gedeelde soevereiniteit op financieel en economisch gebied. Het heeft definitief afstand gedaan van de aspiraties waarmee De Gaulle zijn partners terroriseerde en die Frentrop als nog springlevend ervaart. In dit licht gezien is het incident tussen Duisenberg en Trichet een hinderlijk maar geen essentieel voorval. Frankrijk kan en zal de euro niet voor enge nationale belangen gebruiken.

Een ander punt is de vraag of het land alle gevolgen van de EMU in zijn binnenlandse politiek heeft geïntegreerd. Het antwoord luidt dat hierover nog diep wordt nagedacht: de aanstaande Europese verkiezingen oefenen op dit punt op de oppositiepartijen een kristalliserende werking uit.

Vooral rechts (maar ook sommige delen van links) vraagt zich af hoe heilzaam de verdieping – maar ook de uitbreiding – van de Gemeenschap zal zijn voor de modernisering van het Franse leven. Moet de ontwikkeling van de EU worden versneld of vertraagd? Kan Frankrijk een nieuwe Europese roeping vinden of gaat het er slechts om te behouden wat het land van de EU ontvangt (landbouw- en regionale subsidies) en te voorkomen dat de nationale identiteit duurzaam wordt aangetast? Deze vragen zijn allerminst nieuw, maar verwonderlijk is dat zij alsnog met veel kracht worden gesteld nu de spelregels duidelijk zijn vastgelegd en de euro voortaan zelfstandig zijn unificerende rol in de Europse economie vervult. Zij tonen aan dat Frankrijk niet overtuigd is van zijn plaats in dit toch zo `Franse' Europa. Moet het met dezelfde energie doorgaan als voorheen en hoe zien de Duitse partners hun eigen bijdrage?

Bij het referendum ter goedkeuring van het verdrag van Maastricht, in 1992, was de meerderheid (51 procent) niet groter dan 400.000 stemmen. Het was een dubbeltje op zijn kant, maar bedacht moet worden dat Mitterrand in die tijd al op zijn retour was. Binnenlandse politiek bederft nu eenmaal het klimaat van Europese verkiezingen. Oppositionele dynamiek speelt op het ogenblik opnieuw een rol, aangezien president Chirac een socialistische regering naast zich heeft. Door deze situatie oriënteert zich een deel van de kritiek van de rechtse oppositie op Brussel. In 1992 was Philippe Séguin, de huidige voorzitter van de gaullistische partij, de leider van de anti-Maastrichtcampagne. Dit jaar is hij de aanvoerder van de gaullistische lijst voor de Europese verkiezingen. De Europeesgezinde liberale centrumpartij UDF en een groep gaullistische dissidenten weigeren met hem mee te gaan, ofschoon Chirac uitdrukkelijk één algemene (gaullistische) lijst had gewenst. Afgelopen zaterdag heeft Séguin zijn verkiezingsleus gelanceerd: ,,Non aux États-Unis d'Europe, oui à l'Europe Unie des États'. Uiteindelijk heeft de scheiding der geesten in de oppositie minder van doen met kritiek op de regering en de electorale berekeningen voor de presidentsverkiezingen in 2002 dan met de vraag hoe open Frankrijk moet staan voor het liberale – en daar komt het – `Angelsaksische' beleid van Brussel. Dat beleid verstaat zich slecht met een modern colbertisme.

Met de euro in de hand wordt de Fransman, zoals iedere andere burger van Euroland geconfronteerd met de vraag hoe zijn verhouding tot de EU is. Een recent neologisme – `europatriottisme' – tracht een brug te slaan van het gaullistische ouderwets-patriottische Frankrijk naar een werkelijk geïntegreerd Europa, waaraan Frankrijk met evenveel ideeën als in het verleden, maar met verlicht patriottisme zou deelnemen, zonder zijn identiteit te verliezen.

De weinig indrukwekkende eurosceptische afvaardiging die Frankrijk in juni waarschijnlijk naar Straatsburg zal sturen zal Frentrop niet sterken in zijn overtuiging dat de Frans-Angelsaksische `oorlog' een nieuw millennium ingaat. Als één van de voornaamste architecten van de Europese eenwording bouwt het huidige Frankrijk weliswaar voort op de door De Gaulle gelegde grondslag, maar is het resoluut de weg van samenwerking – en niet alleen met Duitsland – ingeslagen.

Mr. A.H.D. Ingen Housz is bedrijfsjournalist te Parijs.

Bedrijfsjurist

Onder het artikel Frankrijk gebruikt euro niet voor nationaal belang (in de krant van maandag 15 februari, pagina 8) staat vermeld dat mr. A.H.D. Ingen Housz bedrijfsjournalist is. Dit moet zijn bedrijfsjurist.