Dromen

Een van de sporthelden van de grote oorlog is kapitein W.P. Nevill van de 8ste East Surrey's. Hij loofde vlak voor een stormaanval een prijs uit aan het peloton dat als eerste een voetbal in een Duitse loopgraaf zou schieten voordat hij klaar was met de aftrap lag hij overigens al dood in de modder. Zo had ieder land zijn eigen beeld van de oorlog. De Engelsen zagen het vooral als een sportieve krachtmeting, de Fransen wilden revanche na hun nederlaag in 1870, de Duitsers droomden over de Germaanse suprematie, voor de Oostenrijkers was de strijd vooral een barok theaterstuk, en voor iedereen was het heldendom en voor Kerstmis thuis.

Neem bijvoorbeeld de glimmend koperen helm van een Oberleutnant die ik in het Weense Legermuseum zag, met daarbovenop een enorme Romeinse hanenkam, een feest voor iedere scherpschutter. Of die van een Duitse Ulan, een leren geval waar je zo een kogel doorheen kunt drukken, met daarbovenop een heuse glanzende adelaar, ideaal voor in de loopgraaf. Of, daartegenover, de klompen en kapotjassen waarmee Belgen de strijd ingingen, beschermd door een soort 19de-eeuws lakhoedje. De Engelse militair William Pressey beschreef hoe hij bij Amiens tweehonderd Franse cavaleristen over een heuveltop in de aanval zag gaan, een schitterend tafereel met hun bepluimde helmen en fonkelende lansen. Vlak nadat ze uit het zicht waren verdwenen, hoorde hij het droge geratel van een paar machinegeweren. Niemand keerde terug.

Pas halverwege de oorlog kwam de realiteit: de stalen helmen, de grijze uniformen en bittere zakelijkheid van de 20ste eeuw.