De dichter versus de econoom

Zoiets lees je niet elke dag: dat de poëticale praktijk een radicale kritiek vormt op het marktdogma. En wel omdat die praktijk de volgende elementen bevat: zij heeft geen nut, verloopt in een traag tempo, het product ervan is onverkoopbaar, en dat product is duurzaam. Allemaal dingen die topmanagers, ministers van financiën of beursmakelaars als evenzovele zonden tegen de wetten van de markt zullen beschouwen – gesteld al dat ze überhaupt een gedachte aan zoiets als poëzie zouden besteden, wat nauwelijks voorstelbaar is, maar wat de dichter en essayist Geert van Istendael, omdat het onderwerp zo belangrijk is, zich toch probeert voor te stellen in het Nieuw Wereldtijdschrift. Zodat hij zinnen kan schrijven als: ,,De poëtische praktijk druist systematisch in tegen iedere vorm van rationele bedrijfsvoering.'' En ook: ,,Het marktdogma erkent geen kwaliteit, het erkent alleen het evenwicht tussen vraag en aanbod.'' Maar al te waar.

Uit Van Istendaels stuk blijkt een groot wantrouwen tegen het zegevierende marktdenken, het bevrijdende kapitalisme dat alles in termen van de markt weet te definiëren. Niet dat er zulke aantrekkelijke alternatieven voorhanden zijn, maar het is wel mogelijk dat denken te ontkennen. Door poëzie te schrijven of te lezen. Poëzie als contragewicht, ook al is de poëzie nu vrijwel geheel uit het zicht verdwenen. Toch moet de dichter zich blijven verzetten tegen het eenheidsdenken en de eenheidstaal. Zijn verzet en zijn engagement worden gevormd door zijn poëtische praktijk.

Het is een mooi stuk en ook een goede verdediging van de relevantie van de poëzie, hoe weinig in het oog springend die ook is. Poëzie is de veelvoudigheid, de individualiteit, de duurzaamheid, de droomtijd. ,,Onze stem is niet sterk, maar ons gebied heeft geen eind. Gedichten zullen de wereld niet redden, maar de wereld is reddeloos zonder gedichten.''

Natuurlijk staan er ook gedichten in het Nieuw Wereldtijdschrift, onder meer van Eva Gerlach `bij de dood van een vader buiten dienst':

Een vader, je raakt hem kwijt

ergens onderweg waar zijn vuist je loslaat,

je naar jezelf (je gezicht in) smijt als een bal,

wie gooide krimpt in de verte.

Eigenlijk is dit hele NWT een protest tegen het marktdenken doordat het zich in volle overgave met andere dingen bezighoudt. In een meeslepend stuk van Bernard Dewulf bijvoorbeeld gaat het over de enorme inzet van schilder Rik Wouters voor wat hij wist te kunnen en voor zich wilde zien op het doek, en over de liefde tussen hem en zijn vrouw Nel, die voor hem poseerde en deelde in zijn uiterst armoedige bestaan. Dewulf schrijft zo over Wouters dat je niets liever wilt dan onmiddellijk afreizen naar het Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen om het licht op zijn schilderijen te zien. ,,Laat ik u, als was het de eerste keer, vertellen hoe het lijkt op te houden met schemeren in die tempel telkens als ik ergens in het midden ervan, in de ruime Wouterszaal aankom. Hoe het is alsof het licht zijn feest begint, telkens opnieuw.''

En dan is er ook nog een verrassend stuk van Piet Meeuse die pleit voor de terugkeer van `het sterke verhaal' in de roman, ten koste van het al te door gepsychologiseerde personage. Een roman is geen verhaal meer, vindt hij (en betreurt hij), het is ,,een constructie rond romanpersonages die het veel te druk hebben met elkaar en zichzelf om de drager van een sterk verhaal te kunnen zijn.'' Meeuse zou wel graag weer sterke, ongeloofwaardige, fascinerende verhalen willen lezen in plaats van vertellingen die zo keurig binnen de grenzen van het waarschijnlijke blijven en die bang lijken te zijn voor alles wat maar even neigt naar het wonderbaarlijke. We snakken naar echte verhalen, zegt Meeuse.

Nieuw Wereldtijdschrift jrg. 16, nr 1. Uitg. Atlas, losse nummers ƒ11,50