Cultuur en economie

HET AANTAL KLEINERE boekhandels neemt gestaag af. De eenmanswinkel in een klein pandje, waar de baas volgens zijn eigen smaak de scepter zwaait, lijkt zijn langste tijd gehad te hebben. Vooral in de hoofdstad van boekenland: Amsterdam. Het faillissement van Allert de Lange oogt dan ook als een breuk. Deze boekhandel aan het Damrak had een lange traditie. In het interbellum was het de thuishaven voor gevluchte Duitse schrijvers. Na de oorlog was Allert de Lange het centrum van de Franstalige literatuur. Maar in de jaren negentig heeft de winkel de slag gemist en moet nu daarom voor de gevolgen opdraaien.

Het vertrek van Allert de Lange staat niet helemaal op zichzelf. Eerder sloot De Verbeelding in de Utrechtsestraat al haar deuren. Binnenkort doet het modern antiquariaat Van Gennep vlakbij het Spui hetzelfde. Buiten Amsterdam staat de kleinere boekhandel her en der soms eveneens onder druk. Al met al genoeg aanleiding voor cultuurpessimisten om apocalyptische gevolgen te voorspellen. Maar als het alleen om het boek gaat, is het daarvoor te vroeg.

Er doet zich namelijk een paradoxale ontwikkeling voor. Op de langere termijn is het aantal boekhandels minder dramatisch teruggelopen dan het schijnt. In de Utrechtsestraat in Amsterdam bijvoorbeeld zijn nog altijd drie keer zoveel boekwinkels als een kwart eeuw geleden. En de grote zaken laten zich, qua assortiment, al helemaal niet vergelijken met begin jaren zeventig. Zaken als Athenaeum en Scheltema & Holkema (Amsterdam), Donner (Rotterdam), Broese (Utrecht) of De Bijenkorf zijn oases van `verheffing' geworden waar de boekencollectie historisch gezien ongekend weelderig is geworden. Daarnaast hebben zich ook buitenlandse winkels in het land gevestigd en hebben zich in de zogeheten `provincie' en buiten de klassieke binnensteden eveneens rijk geschakeerde boekhandels ontwikkeld. De toename in de boekenomzet is niet alleen de verdienste van Ako- en Bruna-kiosken.

HET PROBLEEM met de kleinere boekhandel is dan ook geen culturele maar een economische kwestie die bovendien vooral in Amsterdam opspeelt. De centra van de grote steden worden beheerst door een andere type rendementsdenken. De onroerendgoedprijzen laten geen nering meer toe waar de winst in marginale termen wordt uitgedrukt. Daarvan zijn niet alleen boekhandels het slachtoffer, maar ook andere middenstanders. De slager die met pensioen gaat kapitaliseert zijn pandje liever tegen de vigerende marktprijs dan het tegen een laag rendement te verhuren aan een opvolger.

Het gevolg van deze marktwerking is dat her en der de telefoonwinkel, pizza-snackbar of jeansshop de deuren opent waar de kleine speciaalzaak ze moet sluiten. In Amsterdam tekent deze trend zich bijvoorbeeld af in alle oude winkelstraten van de stad. Wat eerder in de Kalverstraat gebeurde, voltrok zich later in de Leidsestraat en dient zich thans op het Rokin aan. De koopwoede die elke zondag in dit gebied losbarst, illustreert dat.

En het gemeentebestuur laat het allemaal op zijn beloop. Bij het openbaar bestuur ligt dan ook het waarlijke probleem. De stadsbestuurders zijn zo druk in de weer met uitbreidingsplannen en andere megaprojecten dat ze geen oog en energie meer hebben voor het beheer van de historische binnensteden. Het is deze hoogmoed die de binnensteden doet verloederen, niet de sluiting van een kleinere boekhandel meer of minder.