Abou-Khalil toont zich een absurdistisch meester op ud

,,Canadezen komen van origine uit Irak. Zij ontwikkelden in Bagdad een piepschuimfabriek maar konden daar niets mee in het Midden-Oosten en trokken toen noordwaarts. Ze belandden uiteindelijk in Canada waar ze zich in de sledehondenruilhandel begaven. Door al dat gezwerf was hun ene been korter dan het andere geworden. Ze liepen niet meer in 2/4 maar in 10/16 en dat is dus ook de maatsoort waarin ik Sunrise in Montreal heb gecomponeerd.''

Rabih Abou-Khalil gooit graag een absurd verhaal in de strijd om een brug te slaan naar zijn publiek. Muzikaal slaat hij een brug tussen Oost en West door de Arabische ud-traditie en de Westerse jazz met elkaar te vermengen. Het geluid van de ud, een soort elfsnarige luit die in de Arabische muziektraditie eenzelfde rol speelt als de piano in de Westerse, vormt de spil van de muziek die Khalil in het Tropeninstituut met zijn groep Blue Camel Project ten gehore bracht. Voorzichtig de noten aftastend, trillend op bepaalde toonhoogtes blijven hangen om vervolgens langzaam het thema van een nummer te ontvouwen, betoonde Khalil zich tijdens het enige Nederlandse concert van zijn Europese tour een ware meester op dat instrument.

Van Khalils begeleiders was lijsttrommelspeler Nabil Khaiat zonder twijfel het indrukwekkendst. Kaarsrecht zittend op het puntje van zijn stoel tikte hij met zijn vingertoppen of vlakke hand de meest complexe ritmes terwijl zijn duim en handpalm de schellen deden rinkelen als een cymbalenregen of klepperen als castagnettes. In zijn handen werd de tamboerijn een volwaardig instrument dat het in klankdiversiteit en subtiliteit met gemak won van de wat vlakke drums van Mark Nauseef.

Dat vlakke geluid was grotendeels te wijten aan de elektrische versterking die de band harder deed klinken dan voor de grootte van de zaal eigenlijk nodig was. Ook de cello van Vincent Courtois had te lijden van dit teveel aan technische ondersteuning. Zijn instrument klonk af en toe zo synthetisch dat het leek alsof hij dwarsfluit in plaats van een snaarinstrument bespeelde.

Voor het totaalgeluid van de band maakte dit gelukkig niet zoveel uit. In de meeste composities werd Khalils melodielijn gedubbeld door de cello en tuba, die het staccato ud-spel van een zijden rand en een rondborstige ondergrond voorzagen. Drums en lijsttrommel stuwden hen voort tot steeds temperamentvollere climaxen. Afwisselende soli van cello en ud werden voorzien van ingenieuze ritmewisselingen en verrassend acrobatische tuba-uithalen. Het Arabische karakter van de meeste basisthema's werd afgewisseld met onvervalst swingende intermezzo's en up-tempo inzetjes van de cello die deden denken aan Ierse volksmuziek. Alleen in het, nog niet op cd verschenen, Ode to a black hide singularity leek de balans even door te slaan naar de abstractie van Westerse experimentele muziek en maakte beheerste lyriek plaats voor een dramatisch dreigende geluidscollage. Khalils vingervlugge solo en de arabeske coda herstelden het evenwicht tussen oost en west echter weer snel.

Concert: Rabih Abou-Khalil. Gehoord: 11/2 Tropeninstituut, Amsterdam.

    • Edo Dijksterhuis