Aarzelende liberalisatie drijft nutsbedrijven in buitenlandse handen

Naar de mening van Jaco Alberts (NRC Handelsblad, 3 februari), heeft de zo vurig nagestreefde liberalisering van Nederland als ongewenst effect dat Nederlandse nutsbedrijven in buitenlandse handen vallen.

Echter, Paars I en II hebben juist laten zien geen enkele visie te hebben op marktwerking. De tergend langzame besluitvorming over mogelijke liberalisatie hebben ondertussen de pioniers van de nieuwe markten verdreven. Grote buitenlandse ondernemingen vullen inderdaad het vacuüm. Het eerste kabinet-Kok greep de kans aan de jarenlang door het CDA beschermde structuren te doorbreken. Pragmatisch als het eerste kabinet-Kok was, heeft het hierover geen ideologische discussie willen voeren maar gekozen voor een grootscheepse operatie `Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit'. Hiermee wilde het kabinet een verbinding leggen tussen economisch beleid dat zich richt op het versterken van de marktwerking, de economische structuur en concurrentiepositie enerzijds, en het door de beginselen van de rechtsstaat geïnspireerde wetgevingskwaliteitsbeleid anderzijds. Een duidelijk richtsnoer blijken de coalitiepartijen en de betrokken ministers toch gemist te hebben. Ten behoeve van de marktwerking heeft de minister van V&W de splitsing van het VSN-concern, waarvan de dochterondernemingen vrijwel in het hele land het streekvervoer verzorgden, afgedwongen. De minister van EZ was er op hetzelfde moment juist met het oog op de Europese concurrentie voorstander van dat de vier elektriciteitsproductiebedrijven zouden fuseren tot één grootschalig elektriciteitsproductiebedrijf (GPB). Inmiddels is het voornemen te komen tot een GPB op een aantal weigerachtige lokale overheden stuk gelopen. De enige overeenkomst is dat achteraf in beide gevallen de kansen op een zelfstandige positie op de Europese markt zijn verijdeld. De delen van het gesplitste VSN en de elektriciteitsproductiebedrijven zullen het moeten hebben van het bundelen van de krachten met andere, en dat zijn dan meestal buitenlandse, ondernemingen. Een kleine tien jaar gaan de openbaar vervoerbedrijven nu gebukt onder een discussie over de liberalisatie van het openbaar vervoer. Medio jaren negentig volgde het kabinetsstandpunt: het kabinet was voorstander van marktwerking. Geruime tijd later volgde de Implementatie-nota. Deze naam doet niet vermoeden dat de nieuwe Wet Personenvervoer nu nog aan de Kamer moet worden aangeboden. De ondernemers die het lef hadden te anticiperen op marktwerking zijn ondertussen weer vertrokken. De meerderheid van de aandelen in Lovers Rail zijn verworven door CGEA, een onderdeel van de Franse multinational Vivendi. Hier gebeurt waar Alberts voor waarschuwt: een multinational met een omzet die meer dan het tienvoudige is van die van bijvoorbeeld de NS komt in de plaats van de Amsterdamse rederij Lovers. De relatief kleine maar in het begin o zo gevreesde Amerikaanse onderneming Vancom hield het na enige jaren wachten op liberalisatie voor gezien en heeft zijn aandelen overgedaan aan Arriva. Hiermee heeft de tweede busvervoerder in Groot-Brittannië vaste voet aan vaderlandse bodem gekregen. Concurrentie tussen netwerkbedrijven zoals elektriciteits- en openbaar vervoerbedrijven leidt tot schaalvergroting. De Nederlandse nutsbedrijven kennen beperkingen waardoor schaalvergroting vrijwel niet anders tot stand kan komen dan door overgenomen worden door buitenlandse ondernemingen. De huidige overheidsaandeelhouders zijn terughoudend ten aanzien van het uitbreiden van hun ondernemersrisico door overname van activiteiten van buiten het verzorgingsgebied waarom het hen ooit begonnen was. Het beleid van het kabinet verzet zich tegen de `bijklussende' overheid: overheidsorganisaties die concurreren met private marktpartijen. Deze combinatie kan gemakkelijk leiden tot concurrentievervalsing. Behoudens een viertal uitzonderingssituaties zouden daarom deze overheidsorganisaties hun marktactiviteiten moeten afstoten. Daarmee zegt het kabinet eigenlijk dat voor liberaliseren (in concurrentie treden) privatiseren noodzakelijk is. Maar privatiseren zonder liberaliseren leidt tot monopolievorming door organisaties die niet door de markt en niet door de overheid worden gecontroleerd zoals bij het Loodswezen het geval bleek. Liberaliseren en privatiseren moeten daarom hand in hand gaan. Willen we voorkomen dat de Nederlandse nutsbedrijven in buitenlandse handen vallen, dan zullen we deze bedrijven in staat moeten stellen te expanderen.

Dan krijgen zij een faire kans te laten zien wat ze waard zijn. Leidt dit desondanks tot overname door buitenlandse onderneming dan is dat ook maar beter. We wachten dus niet op nationale beschermingsmaatregelen zoals door het CDA zijn voorgesteld maar op een duidelijk privatiserings- en liberalisatiebeleid.

Mr.drs. J.P. van der Meij is partner van Moret Ernst & Young Management Consultants