VIDEOCAMERA OP RUG VAN ZEEHOND ONTHULT JACHTSTRATEGIE

Hoe zoekt, localiseert, volgt en vangt een zeehond zijn prooi? Marien biologen van de University of Texas en de University of California losten deze vraag op door op de rug van vier Weddell-zeehonden een kleine video-camera en data-logger te plaatsen. De verzamelde gegevens laten zien welke, tot nog toe onbekende, strategie de Weddell-zeehond gebruikt om kabeljauw en de kleinere vis Pagothenia borchgrevinki te vangen (Science, 12 februari).

Weddell-zeehonden leven in de Antarctische wateren en jagen daar onder het ijs op vis. Dagelijks duiken ze veertig keer, tot zo'n 350 meter diep. Per duik blijven ze meestal niet langer dan 25 minuten onder water. Om het jachtgedrag van deze zeehonden te bestuderen togen de Amerikaanse onderzoekers met een flinke lading koubestendige apparatuur naar het McMurdo onderzoekstation op McMurdo Sound (77.86°S, 166.22°E). Tien kilometer van het station sloegen ze een gat in het ijs. Daar lieten ze de vier, met apparatuur voorziene, zeehonden los. De camera op hun rug filmde de directe omgeving van de dieren. De data-logger legde tijdstip, diepte, snelheid en slagfrequentie van de zwempoten vast. Na een duik keerden de zeehonden (een mannetje en drie wijfjes) bij het wak terug om adem te halen. De onderzoekers konden op zo'n moment videobanden verwisselen en data downloaden. In totaal verzamelden de biologen 57,4 uur aan onderwateropnames.

Uit een van de opnames blijkt dat een van de Weddell-zeehonden eerst 50 meter pijlrecht naar beneden duikt, dan weer stijgt tot een diepte van 33 meter en vervolgens weer langzaam afzakt tot 53 meter. Op het moment dat dit 462 kilo wegende wijfje een kabeljauw boven haar in de gaten kreeg zwom ze snel omhoog. Waarschijnlijk gebruiken de zeehonden - die zeer lichtsensitieve ogen hebben - hierbij het weinige invallende licht om tegen de witte achtergrond van het ijsoppervlak het silhouet van de vis te kunnen waarnemen. Het wijfje kon de kabeljauw tot op enkele decimeters naderen. De vis schoot er pas vandoor toen hij in zijn anaalvin werd gebeten. De onderzoekers laten in het midden waarom de vis er niet eerder vandoor ging. Misschien ziet hij de uit de donkere diepte omhoogkomende zeehond niet, mogelijk ook kost het de koudbloedige vis te veel energie om bij elk dreigend gevaar te vluchten. De vis kan in het koude water maar weinig warmte aan zijn omgeving onttrekken.

Voor het vangen van kleinere vis, in dit geval P. borchgrevinki, gebruiken de zeehonden een heel andere strategie. Deze vis vlucht in ijsspleten, maar blijkt daar niet veilig voor de jagende zeehond. Soms steekt de staart van de vis uit het ijs waarin de zeehond vervolgens vrolijk begint te bijten. Zit de vis wel goed verborgen dan nadert een zeehond tot enkele centimeters onder het ijs en blaast via zijn neusgaten een stoot lucht in de spleet waardoor de geschrokken vis op de vlucht slaat. Deze strategie is volgens de auteurs nooit eerder waargenomen. Soms is het al genoeg als de zeehond alleen zijn snuit tegen het ijs drukt, zonder lucht uit te blazen. De zeehond probeert de vluchtende vis vervolgens te grijpen, wat overigens niet altijd lukt.

(Marcel aan de Brugh)