Verwijdering VS-EU is geen breuk

De Europees-Amerikaanse betrekkingen veranderen als gevolg van toenemende wrijvingen misschien van aard, maar door hun culturele banden zullen de atlantische bondgenoten elkaar altijd trouw blijven, meent Thijs Vissia.

De relatie tussen Europa en Verenigde Staten is er een van aantrekken en afstoten. Volgens de politicologen William Wallace en Jan Zielonka is de Amerikaanse houding ten opzichte van de Europese integratie ambivalent, zo schreven zij eind vorig jaar in deze krant. Enerzijds wanhopen de Amerikanen over de voortgang daarvan, anderzijds vrezen ze een eenwording die ,,afwijkt van wat Washington had voorgeschreven''. Amerikanen stellen zich egocentrisch en arrogant op in economische aangelegenheden, en hekelen de in hun ogen achterblijvende Europese inspanningen voor de mondiale veiligheid. Wallace en Zielonka concluderen dan ook dat er sprake is van een verwijdering tussen de Verenigde Staten en de EU, en van een toegenomen wrijving tussen beide bondgenoten.

In hun kritiek op de Europese-eenwording-in-het-algemeen hebben Amerikanen te weinig oog voor de karakterverschillen tussen de Verenigde Staten en de EU. Waar vergelijkingen worden gemaakt tussen de Amerikaanse federale staat en de Europese Unie, moet daar aandacht aan geschonken worden. De Verenigde Staten zijn een staat die samenvalt met de natie, al zullen veel Amerikaanse regionalisten dat ontkennen. Voor de EU geldt dat niet. De EU bestaat uit een palet aan naties met verschillende zelfbeelden, politieke ideeën en gevoeligheden. Europeanen zijn in staat een dergelijke diversiteit te waarderen en te koesteren, en dat is voor een deel de bron van de lichte euroscepsis in veel landen. Negatieve gevolgen van die diversiteit worden meer op de koop toe genomen. Amerikanen daarentegen veroordelen de verdeeldheid die eruit voortvloeit, en doen die af als een teken van onmacht en politieke infantiliteit. Zonder kennis van `European values' is een dergelijke conclusie niet zo vreemd.

Wallace en Zielonka pleiten voor Amerikaanse eenduidigheid in hun voorkeuren wat integratie betreft. Zij suggereren dat een ambivalente houding dienaangaande `inconsequent' is. Zij hebben het echter bij het verkeerde eind: het vereist alleen een preciezere analyse. De Amerikanen streven eenvoudigweg hun eigenbelang na, en dat belang verschilt op meerdere terreinen van dat van Europa.

Amerika wil een daadkrachtig verenigd Europa dat – uit eigen middelen – kan ingrijpen in gewapende conflicten op haar eigen continent. Tegelijkertijd willen de VS bepalen waar, hoe en wanneer ingegrepen wordt. De Amerikanen willen veel voor weinig, value for money. Dat is de militaire kant van de zaak. In economische opzicht is een verdeeld Europa juist goed voor de VS. De gedachte aan een verenigd Europa wekt bij Amerikanen te veel de vrees op voor hernieuwd Europees protectionisme.

Op dat woord rust een enorm taboe. Dat blijkt uit de reactie van Jeffrey Gedmin (NRC Handelsblad, 12 december 1998). Terecht stelt hij in zijn betoog dat de Amerikaanse twijfel terecht is. De angst voor protectionisme is bijna fysiek aanwezig, ook al durft hij het niet letterlijk op te schrijven.

Ook spreekt Gedmin zijn zorg uit over het risico van ,,ongedifferentieerd centralisme en supranationalisme ten koste van de liberale, democratische nationale staat''. De politieke omwenteling in Europa zal aan die vrees bijgedragen hebben. Binnen twee jaar zijn in de belangrijkste Europese landen sociaal-democratische regeringen aan de macht gekomen die naarstig op zoek zijn naar oplossingen voor de werkloosheid. Aangezien verdere inkrimping van de verzorgingsstaat, naar Amerikaans recept, voor een meerderheid geen optie is, is die vrees niet helemaal onterecht.

Gedmin is een heldere vertegenwoordiger van de economische arrogantie waar Wallace en Zielonka het over hebben. Uit zijn beschrijving van de situatie in Duitsland komt het Amerikaanse superioriteitsgevoel naar voren, alsook de minachting voor Europese ideeën met betrekking tot de economie. De grote werkloosheid is in de ogen van Gedmin het gevolg van ,,hoge belastingen, verstikkende regelgeving en excessief hoge arbeidskosten''.

Werkloosheid is een kwaad, maar werk met behoud van armoede is een weinig aanlokkelijk alternatief. En vaak is dat waar de Amerikaanse aanpak op neerkomt.

Dominiqie Moïsi citeerde in deze krant Oskar Lafontaine die het Amerikaanse beleid prijst om de stimulering van groei en werkgelegenheid. Op die twee vlakken zijn de cijfers van de VS inderdaad indrukwekkend. Maar hoe staat het met het welzijn van de gemiddelde Amerikaanse burger? Ging het er niet om, the greatest happiness for the greatest number te verzekeren? Vanuit Europa bezien doet Amerika dat niet veel beter, en velen zullen zeggen slechter.

Dezelfde Moïsi formuleert vervolgens een aantal uitdagingen voor de atlantische partners. Ze moeten zich, zo schrijft hij, inspannen om de ,,beangstigende en destabiliserende groei van de ongelijkheid'' om te buigen. Dat is een pleidooi waar je het moeilijk mee oneens kunt zijn. Maar is het ook haalbaar? Bereidheid lijkt hierbij het knelpunt te zijn. Illustratief is de houding van het Amerikaanse Congres inzake de achterstallige betalingen aan de Verenigde Naties.

Maar ook in Europa is het rooskleurige zelfbeeld aan correcties toe. Europa is meer dan de VS bereid offers te brengen voor mondiale rechtvaardigheid en menselijkheid. Op het moment daarentegen zijn de Europeanen vooral gepreoccupeerd met hun eigen sores.

Tenslotte rijst de vraag of sprake is van een groeiende kloof tussen de Verenigde Staten en Europa?

De Brit Jonathan Eyal meent van niet (NRC Handelsblad, 30-12-1998). Hij illustreert zijn mening met gegevens over staatsbezoeken en de onderlinge militaire bindingen, die duidelijk blijkgeven van een behoud van betrokkenheid. Dit is echter iets te eenvoudig gesteld.

Eyal heeft gelijk als hij beweert dat de NAVO wordt uitgebreid en culturele verbondenheid ook in de toekomst de verhouding in stand zal houden. Europa en Amerika blijven in verhouding tot de rest van de wereld een coalitie, gebaseerd op economische belangen en politieke voorkeuren. Die relatieve verbondenheid en belangenovereenkomst zeggen echter niet zoveel over de relatie tussen VS en EU op zich.

Vergeleken met hun relaties met andere regio's blijven de atlantische partners ook in de toekomst partners. Maar een afname van de kwaliteit van de relatie, en toename van onderlinge spanningen is niet onvoorstelbaar. Zoiets is alleszins mogelijk zonder dat bijvoorbeeld Amerika zich volledig van Europa afkeert en alle aandacht richt op Azië. Voor het antwoord zijn we dus andermaal aangewezen op ons geduld.

Thijs Vissia studeert politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.