The Buck Stops Here

De Amerikaanse president Truman had, zo wil de anekdote, op zijn bureau in de Oval Office een bord staan met de tekst: THE BUCK STOPS HERE. Nu hoop ik maar dat ik me dit goed herinner. Wegens een verbouwing bij mij thuis ben ik tijdelijk afgesneden van mijn boekenkast.

Misschien is dat tegelijk een (slap) excuus voor het feit dat ik vorige week Goethe verkeerd heb geciteerd. Sinds de middelbare school zit een regel uit Faust in mijn geheugen: ,,Der Mensch, in seinem dunklen Drange, ist sich des rechten Weges wohl bewusst.'' Mis! Het moest zijn: ,,Ein guter Mensch, in seinem dunklen Drange ...''

Eerlijk gezegd vind ik de tekst zoals ik me die uit mijn schooltijd herinnerde, afgezien van de spelfout, eigenlijk veel mooier. Ieder mens is tot elk kwaad geneigd, zo leert Calvijn, en ,,de mens is goed'' zongen de oude socialisten – en dat samen bij wijze van paradox in één regel spreekt me meer aan dan de wijsheid dat ,,der gute Mensch'' zich van het goede bewust is. Dat is toch een pleonasme?

Maar nu de staatkundige wijsheid van Truman.

,,To pass the buck'' (letterlijk ,,de dollar doorgeven'') betekent zoveel als: de verantwoordelijkheid doorschuiven, iets op een ander afschuiven, iemand de zwartepiet toespelen. Het geliefkoosde gezelschapsspelletje in iedere bureaucratie. Truman wilde al zijn ondergeschikten inpeperen dat aan dit spelletje ooit een einde komt. Uiteindelijk blijft er iemand met de hete aardappel zitten. Hij, de president: the buck stops here.

Wij in Nederland hebben de wijsheid dat er altijd een gezagsdrager finaal aansprakelijk is voor alles wat de ambtenarij doet, zij het wat minder plastisch uitgedrukt, gewoon in de Grondwet staan. ,,De ministers zijn verantwoordelijk.'' Er komt een punt, waar niets meer valt af te schuiven, door te verwijzen, verder te leiden, enzovoort.

Het was de fractievoorzitter van de SGP in de Tweede Kamer, ir. B.J. van der Vlies, die deze week in Trouw naar aanleiding van de parlementaire enquête naar de Bijlmerramp, in toorn ontstoken, de verantwoordelijkheid bij voorbaat daar legde waar zij thuishoort. ,,Bij de Bijlmerramp duikt keer op keer de opvatting op dat ministers (en staatssecretarissen) alleen verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor datgene waar ze zelf van hebben geweten. De ministeriële verantwoordelijkheid wordt aldus versmald. De ministers Maij-Weggen, Jorritsma en Netelenbos kunnen dan alleen aangesproken worden op hun doen en laten als ze weet hadden van bijvoorbeeld de lading van de Boeing, of als ze wisten dat er zaken `onder de pet werden gehouden'.''

Een misvatting, aldus Van der Vlies: ministers zijn verantwoordelijk ook voor wat hun niet verteld is, voor wat hun voorgangers niet hebben geweten, voor wat zij – of hun voorgangers – al dan niet opzettelijk verzwegen of aan onjuiste informatie verstrekten.

Lubbers is de kwaaie pier, zegt Van der Vlies. Hij heeft in 1987 de leer van de ministeriële verantwoordelijkheid versmald, in een poging de door de visserijfraude in opspraak geraakte minister Braks uit de wind te houden. Sindsdien verschuilen ministers zich om de haverklap achter hun ambtenaren en achter onkunde of onwetendheid.

Op de vraag naar de oorzaak van deze ,,versmalling van het staatsrecht'' gaat Van der Vlies niet in, maar het antwoord ligt voor de hand. Coalitievorming is een soort dominospel. Valt er één steen, dan dreigt het hele zaakje omver te donderen. Evenwichtskunst, koorddansen: coalitiebelang verzet zich tegen het heenzenden van ministers. Uiteindelijk lijkt niemand daardoor meer echt verantwoordelijk gesteld te kunnen worden voor gebrekkige informatie.

Om precies dezelfde reden – het ontploffingsgevaar binnen regeringscoalities – heeft de Tweede Kamer decennia lang geen gebruik willen maken van haar enquêterecht. Ook dat was `versmalling' van het staatsrecht. Het heeft van de jaren veertig – het onderzoek naar het beleid van de regering in ballingschap in Londen tijdens de Tweede Wereldoorlog – tot begin jaren tachtig geduurd, eer het enquêtewapen, dat inmiddels danige roestplekken vertoonde, weer uit het parlementaire arsenaal te voorschijn werd gehaald.

PvdA-Kamerlid Rob Oudkerk, tevens lid van de commissie die nu de Bijlmerramp onderzoekt, schreef vorige week in deze krant dat de enquête twee doelen dient: waarheidsvinding en ,,het helpen dichten van een immense vertrouwenskloof''.

Maar hoe kan de vertrouwenskloof worden gedicht, als de staatsrechtelijke vertrouwensregel in de praktijk niet (meer) functioneert, zoals Van der Vlies opmerkt. Hoe kan het dat twee ministers, Hirsch Ballin en Van Thijn, aftraden voor de IRT-enquête, maar het na afloop slechts gebleven is bij gehannes, geschuif met ambtenaren en een gouden handdruk? Hoe kan het dat een verontschuldiging wegens gebrek aan informatie of onjuiste informatie telkens weer voldoende blijkt te zijn om een minister of staatssecretaris politiek vergiffenis te schenken?

De Kamer zou eens moeten doortasten. Als zij zelf informatie verzamelt die een minister in een eerder stadium niet heeft kunnen of willen verstrekken, moet die minister aftreden. Falen de ambtenaren, dan sneuvelt de minister.

Op die manier staat er geen premie meer op het ,,uit de wind houden'' van bewindslieden, maar een sanctie – los van de persoon van de minister, los van diens politieke kleur, los van het coalitiebelang.

The buck stops here. Het spel is uit. Dat hoort gewoon weer een spelregel van ons staatsrecht te worden. Het gaat niet over schuld. Verlies van vertrouwen in een minister hoeft geen persoonlijke diskwalificatie te betekenen, geen twijfel aan iemands integriteit of kundigheid. Dat is, mevrouw Jorritsma, mevrouw Netelenbos, het risico van uw vak.