Terug uit het oerwoud

De Jarawa's, tot voor kort een uiterst vijandige, geïsoleerde stam op de Indiase Andaman-eilanden, zijn plotseling uit het oerwoud gekomen. De lokale bevolking staart met open mond naar de blote zwarte wilden. Antropologen vrezen dat het snel afloopt met de inboorlingen in de moderne wereld.

Schijnbaar onverschillig laten ze de nieuwsgierige blikken van hun landgenoten over zich heen glijden. Een jonge vrouw en drie kleine meisjes, behangen met rode en gele bloemenkettingen, leunen nonchalant tegen de muur van een bouwvallig wachthok bij het pontje van Kadamtala op Midden-Andaman. Een dikke Indiër gaat met zijn handen in zijn zakken vlak voor de naakte meisjes staan, gaapt ze anderhalve minuut lang ongelovig aan en geeft ze dan een handvol biscuitjes. Een oudere vrouw komt aanzetten met een opengehakte kokosnoot met een rietje erin. Het gitzwarte Jarawa-meisje zet het rietje aan haar mond en begint gulzig te drinken. Een hulpeloze Indiase politieman met een bamboestok doet vergeefse pogingen de Indiase toeschouwers op afstand te houden.

De zorgen om de openbare orde op Midden-Andaman zijn niet helemaal onterecht. De negroïde Jarawa's, wier afkomst voor antropologen nog steeds een raadsel is, beantwoordden eeuwenlang elke inbreuk op hun vrijwillige isolement met een regen van giftige pijlen en speren; ze kozen voor een bestaan in de ondoordringbare jungles van de Andaman-eilanden, een tropische archipel in de Golf van Bengalen, zo'n vijftienhonderd kilometer van de Indiase oostkust.

Begin vorig jaar werden nog enkele Indiase honingzoekers, zwijnenjagers en houthakkers door vijandige Jarawa's vermoord bij Kadamtala, een slaperige nederzetting van tweehonderd huizen in een bocht van de Andaman Trunk Road, een smalle asfaltweg die de Indiase overheid enkele jaren geleden dwars door het Jarawa-gebied aanlegde. Wegwerkers, en later autobussen en andere weggebruikers werden toen nog regelmatig bestookt met pijlen – de angst voor de Jarawa's is zo groot dat nog steeds op elke bus een bewapende politieman meereist.

Van Indiërs die te dicht in de buurt van de Jarawa-dorpen kwamen, werden tot voor kort de handen afgehakt – of ze keerden nooit terug uit het regenwoud. Pogingen van de Indiase autoriteiten contact te leggen mislukten doordat de Jarawa's de contactmissies begroetten met het houten afweergeschut of, als de groep te groot was, zich in het oerwoud schuilhielden totdat ze wegwaren. De missies konden niet veel meer dan hun ladingen kokosnoten en bananen op een strandje in het Jarawa-gebied achterlaten. Toen de regering haar civilisatiezucht enkele jaren geleden begroef, waren het vooral zwaarbewaakte, vakantievierende politici uit New Delhi die in een bootje op zoek gingen naar de mysterieuze Jarawa-stam.

Vorig jaar moet de stemming onder de Jarawa's – naar schatting enkele honderden – zijn veranderd. In de buurt van Kadamtala verscheen op een ochtend een groepje van vijf ongewapende JaRawa's. ,,We schrokken ons dood'', zegt politiechef A.K. Singh, die inmiddels is aangesteld als tribal officer belast met Jarawa-aangelegenheden. ,,Maar ze wilden geen oorlog. Ze wezen op hun buik en op hun mond, alsof ze honger hadden.'' Het groepje werd door bevende Indiase bewoners voorzien van eten en teruggestuurd door het groene gordijn van woudreuzen, mangroven en lianen.

Na hun eerste bezoek aan de wereld van autobussen, elektriciteit en satelliet-tv joegen de Jarawa's ook op andere plaatsen de Indiase kolonisten de stuipen op het lijf. De stam is volgens de Indiërs louter uit op eten, niet meer op een confrontatie. ,,Ze zijn nieuwsgierig geworden, ze komen uit vrije wil'', zegt Singh.

Beenbreuk

Indiase en buitenlandse antropologen zoeken nog steeds naar een verklaring voor de plotselinge ommezwaai in het leven van de Jarawa's, die in twintig tot dertig primitieve nederzettingen op Zuid- en Midden-Andaman blijken te leven van inheemse zwijnen, vis, schildpaddeneieren en fruit. Vermoedelijk is de verleiding in contact te komen met de rest van de wereld ontstaan na een incident waarbij een jonge Jarawa, Enmei, ongewild terechtkwam in Port Blair, de hoofdstad van de Andaman-eilanden, 125 kilometer ten zuiden van Kadamtala. Enmei werd in 1997 gevonden met een gecompliceerde beenbreuk aan de rand van het Jarawa-reservaat in Kadamtala. Hij kreeg drie maanden lang een voorkeursbehandeling in een éénpersoonskamer met tv in het ziekenhuis van Port Blair voordat hij werd teruggebracht naar zijn stamgenoten. Kort na Enmeis thuiskomst begonnen de Jarawa's met hun expedities naar de buitenwereld. ,,Ze willen vriendschappelijke banden met de Indiërs'', houdt politieman Singh vol.

Dat de Indiërs de Jarawa's niet willen tegenhouden in hun `socialisering' bleek toen Enmei op 26 januari naar New Delhi werd gevlogen om op de dag van de republiek te worden `getoond' aan de Indiase bevolking.

De belangrijkste oorzaak van de Jarawa-bezoeken is volgens antropologen het snel krimpende leefgebied van de stam. De Britse kolonialisten die de Andaman-eilanden gebruikten voor de detentie van duizenden Indiase vrijheidsstrijders, wilden niets met de Jarawa's te maken hebben. Zij bestempelden hen als ,,de meest vijandige'' van de zes inheemse stammen in de Andaman-zee en meden de bossen waar zij zich ophielden. Na het vertrek van de Britten bij de Indiase onafhankelijkheid in 1947 groeide de Indiase bevolking op de archipel snel - ondanks de enorme afstand van het vasteland. Inmiddels bevolken meer dan vierhonderdduizend Indiërs de eilanden, variërend van gelukzoekers uit Tamil Nadu en Calcutta tot Sri-Lankaanse Tamil-vluchtelingen en Bengalen op zoek naar een beter bestaan. Velen vinden werk in de bosbouw, de voornaamste industrie van de Andaman-eilanden.

De komst van de Indiërs veranderde de situatie voor de Jarawa's. De Indiase regering heeft voor de stam weliswaar een reservaat van zeshonderd vierkante kilometer afgebakend, maar de Indiase nederzettingen op de eilanden kruipen steeds dichter tegen de jungle aan en de Indiërs storen zich niet aan de grenzen van het Jarawa-reservaat. Bovendien heeft de grootschalige ontbossing van de eilanden – hout is de belangrijkste inkomstenbron – de laatste jaren een aanslag gepleegd op de voedselbronnen van de Jarawa's. ,,Wilde zwijnen en schildpadden zijn al een zeldzaamheid geworden'', zegt een zoöloog uit Pondicherry die onderzoek doet naar de fauna van de eilanden. ,,De jungle is waarschijnlijk te klein geworden voor de Jarawa's.''

Raven

In een stampvolle bus naar de hoofdstad Port Blair is het feest. Juichkreten klinken op als op de weg op Zuid-Andaman een groepje van vijf jonge Jarawa-mannen – een met een Nike-petje op – en een aantal kinderen opduikt. Ze steken hun hand uit als de bus voorbijraast. Een paar pakken biscuits en wat toffees vallen op het wegdek. De meeste Indiërs zijn vooral nieuwsgierig naar hun mysterieuze eilandgenoten.

Maar op plaatsen waar de Jarawa's zich vaker laten zien zijn de eerste irritaties al achter de rug. ,,Ze stelen als raven'', zegt Nirode Bairagi, een inwoner van Kadamtala. ,,Ze stelen kledingstukken, handdoeken, gereedschap en kokosnoten uit onze plantage. Ze hebben de rijkdommen van onze samenleving ontdekt.'' Anjana Chowkidar, een vrouw uit het gehucht Temple Mayo, heeft een muur om haar huisje gebouwd. Zij verloor in maart vorig jaar haar man bij een aanval van de Jarawa's. ,,Ik durf niet meer naar buiten. Ik zie vaak Jarawa's achter het huis rondscharrelen.'' Zij gelooft niet in de vriendschappelijke bedoelingen van de inboorlingen.

Ook antropologen vrezen dat de Jarawa's en de Indiase kolonisten op Midden-Andaman en Zuid-Andaman binnenkort slaags raken – als de eerste nieuwsgierigheid tussen beide bevolkingsgroepen is verdwenen en de Indiërs stoppen met het uitdelen van eten en kledingstukken. ,,Het gevaar bestaat dat de Jarawa's eindigen als bedelaars en prostituees'', zegt Samir Acharya van de Society for Andaman en Nicobar Ecology in Port Blair. Hij wijst op een aantal andere inheemse stammen op de Andaman-eilanden die de Jarawa's voorgingen. Op de archipel dreigen twee andere negroïde stammen binnenkort uit te sterven. Volgens Acharya is het niet toevallig dat deze stammen, de Groot-Andamanezen en de Onges, in de vorige eeuw vriendschappelijke banden aangingen met de Britten en later met de Indiërs. Sinds hun contacten met de `beschaving' veroorzaakten epidemieën van griep, mazelen, syfilis en longontsteking ware slachtingen onder de inboorlingen.

De laatste 28 Groot-Andamanezen leven nu een afgezonderd bestaan op een klein eilandje in de Andaman-zee. De laatste honderd Onges leven op Little Andaman – een eiland dat sinds kort zelfs is opengesteld voor buitenlandse toeristen die op zoek zijn naar een inboorlingensafari. De enige stam die voorzover bekend niet wordt bedreigd zijn de Sentinelezen die nu nog leven als de Jarawa's tot voor kort: iedereen die voet aan wal zet op hun afgelegen eiland, Noord Sentinel, moet rekening houden met een grootscheepse aanval. Waarschijnlijk heeft die vijandigheid bijgedragen tot hun overleving. De Indiërs laten Noord-Sentinel, dat tientallen kilometers uit de kust van Port Blair ligt, met rust.

,,Het zou voor de Jarawa's misschien beter zijn als ze in hun eigen omgeving blijven'', zegt tribal officer Singh, een van de weinige Indiërs die enkele zinnen van de Jarawa-taal machtig is. ,,Maar ze komen vrijwillig buiten hun reservaat. We brengen ze na hun bezoeken aan de dorpen altijd terug naar het bos. Maar ze blijven komen. Sommigen zwemmen drie tot vier uur achter elkaar om naar Kadamtala te komen. Ze blijven opduiken, op zoek naar eten.''

Bij het pontje van Kadamtala zijn de vier Jarawa's na hun uitstapje van enkele uren klaar voor het afscheid. Vissersmannen en de politieman laden bananen en kokosnoten in een wankel motorbootje en tegen het middaguur worden de meisjes en de vrouw teruggevaren naar hun deel van het eiland. Een bus vol Indiërs staart hen na als zij de kreek uitvaren, richting de Golf van Bengalen.