OUD EN KINDERLOOS 3

Uit het dagelijks leven is bekend dat de verschillen in levensverwachting (lifespan) tussen soorten aanzienlijk en tamelijk consistent zijn. Katten worden gemiddeld zo'n 13 tot 15 jaar, muizen en ratten circa 1 à 2 jaar, schildpadden wel ongeveer 100 jaar en mensen zo'n 80 jaar, om maar eens een paar voorbeelden te noemen. Deze inter-soort verschillen in lifespan, zo weten wij uit de evolutiebiologie, hangen ten nauwste samen met de verschillen in fecunditeit tussen soorten. Onder fecunditeit verstaat men het vermogen om snel en veel nageslacht te produceren, doorgaans geoperationaliseerd als het (gemiddeld) aantal foetussen per zwangerschap gedeeld door de zwangerschapsduur. Hoe hoger de fecunditeit, des te korter de gemiddelde leeftijd van een soort. Fecunditeit is een eigenschap van een soort die (op de een of andere manier) is vastgelegd in het DNA.

Het is nu een voor de hand liggende vraag of dit verband tussen lifespan en fecunditeit tussen soorten ook bestaat binnen soorten. Dat wil zeggen zijn verschillen in leeftijd die exemplaren van een soort bereiken gerelateerd aan verschillen in fecunditeit tussen individuen: fecunditeit als eigenschap van een individu. Tegen deze achtergrond wil ik graag enkele commentariërende opmerkingen plaatsen bij het onderzoek van dr. Rudi Westendorp, beschreven in de bijlage W&O van 9 januari.

Indien het correct is om de analogie van inter- naar intrasoort verschillen in lifespan door te trekken, dan is het, in overeenstemming met de algemeen gehanteerde manier van redeneren in de evolutiebiologie, waarschijnlijk dat de causaliteit tussen aantal nakomelingen en lifespan, zoals door Westendorp vastgesteld, gezien moet worden als de relatie tussen de genetisch gecodeerde dispositie om veel nakomelingen te kunnen krijgen enerzijds en lifespan anderzijds. Ik bedoel daarmee aan te geven dat het een zeer onwaarschijnlijke gedachte is om aan te nemen dat het krijgen van veel kinderen als zodanig er toe leidt dat iemand jonger zal sterven. Het gaat over het reproductief potentieel van een individu, ongeacht de vraag of dat potentieel werkelijk gerealiseerd wordt.

Een zeer vruchtbare vrouw die een geheel onvruchtbare man huwt en daardoor nooit kinderen krijgt, moet, aldus beschouwd, als vruchtbaar worden aangemerkt maar blijft als zodanig onopgemerkt in epidemiologisch onderzoek, zoals dat van dr. Rudi Westendorp. Ik raak daar aan een mijns inziens fundamenteel bezwaar tegen Westendorps onderzoek, namelijk de wijze waarop deze zijn boeiende resultaten interpreteert binnen de context van de evolutietheorie en hoe hij daarbij (impliciet) over causale mechanismen spreekt. De teruglopende vruchtbaarheid waarvan de laatste decennia sprake is, zou volgens Westendorp niet het gevolg zijn van onze manier van leven of van de blootstelling aan pseudo-oesterogenen (of van het feit dat de eerste zwangerschap zo lang wordt uitgesteld: toevoeging van mij), maar van een verschuiving in de balans tussen de opties veel kinderen krijgen om de soort in stand te houden versus persoonlijk lang leven. Óf het een óf het ander, aldus Westendorp. En die balans zou volgens hem in ongeveer 100 jaar drastisch veranderd zijn: vanwege de verbeterde gezondheid en lagere kindersterfte wordt kinderen krijgen minder belangrijk en lang leven belangrijker. ``De evolutie speelt daar op in'', zegt Westendorp. Maar dat impliceert dat dat evolutionaire selectieproces (lees: het in de populatie relatief toenemen van genen die geassocieerd zijn met lage fecunditeit) in zo'n drie generaties moet hebben plaatsgevonden. Dat lijkt me onaannemelijk.

Hoe moet ik me dan het selectiemechanisme voorstellen? Westendorp: ``Immers, ook mensen met een verminderde vruchtbaarheid hebben nu een gerede kans om zelf een klein aantal kinderen te krijgen (dat was toch altijd al zo?) die op hun beurt weer kinderen kunnen krijgen.'' Maar zo werkt evolutionaire selectie niet. Er is selectiedruk op eigenschappen die de kans op overleven vergroten. Stel dat lage vruchtbaarheid zo'n eigenschap is, dan dienen individuen met een hoge vruchtbaarheid geleidelijk aan uit te sterven of (anders gezegd) geen nakomelingen meer te krijgen. Afgezien van het onbegrijpelijke van dat scenario, valt ook niet te doorgronden hoe dat dan binnen een paar generaties zou kunnen geschieden.

Toch heeft Westendorp een interessante serie observaties die een associatie tussen fecunditeit en levensduur binnen soorten aannemelijk maakt. Hij gaat naar mijn mening echter te ver als hij daarmee de veranderingen in de recente vruchtbaarheid meent te kunnen verklaren.