Om een beetje waardigheid

Sommige mensen kom je één keer in je leven tegen, maar vergeet je niet meer. Andere zie je vaker, maar vergeet je weer. Dat heeft natuurlijk te maken met de indruk die iemand op je maakt. Een van de mensen die ik één keer tegenkwam en niet vergeet, was een Nederlandse journalist. Ik woonde toen in een asielzoekerscentrum. Er was door de bewoners een actie begonnen om zelf te mogen koken. Het eten van het restaurant was nauwelijks te eten en het was ook onmogelijk om zonder keuken met 30 gulden zakgeld per week zelf behoorlijke maaltijden te kopen.

Daarom boycotten we het restaurant. Omdat ik redelijk Nederlands sprak, had ik de rol van woordvoerder gekregen. Wij hadden ons verzoek al schriftelijk en ook mondeling een paar keer voorgelegd bij de directie, maar we kregen te horen dat de directeur vrij had en de plaatsvervanger had zich ziek gemeld.

De bewoners voelden zich vernederd en wilden de actie harder voortzetten. Ik benaderde de regionale pers en vroeg om aandacht voor de kwestie. Maar dat was niet voldoende. Er kwam pas schot in toen een Iraans meisje besloot om in hongerstaking te gaan. Zij had als vrijwilligster in het restaurant gewerkt en gemerkt hoe men daar tegen de asielzoekers aankeek.

Haar initiatief was een grote steun, maar onze moeilijke dagen waren pas begonnen. Het personeel van het opvangcentrum was hard bezig om met smoesjes en loze beloften de actie te ondermijnen. Veel asielzoekers hadden geen geld meer om voor eigen eten te zorgen en het aantal mensen dat weer naar het restaurant begon te gaan, steeg weer. Er ontstonden allerlei irritaties die uit de hand dreigden te lopen.

Intussen hadden twee mensen zich bij de eerste hongerstaker gevoegd en hun lichamelijke toestand werd zorgwekkend. Vooral de eerste hongerstaakster had al tien dagen helemaal niets gegeten en was vreselijk vermagerd. Ze kon niet normaal lopen en zelfs praten ging niet best. Haar psychische afweer was bijna uitgeschakeld en ze raakte snel geëmotioneerd en trilde van woede of huilde. Wij vroegen haar dringend om te stoppen, maar ze weigerde. Dat deed ze alleen als onze wens ingewilligd was, zei ze koppig.

Ik merkte hoe zij zich vernederd voelde door de dingen die er gebeurden. Daardoor wilde zij zich als protest vernietigen. Hier moest een einde aan komen. Ik belde de kranten weer op en legde haar toestand uit en vertelde hoe moeizaam de onderhandelingen verliepen. Kort erna kwam er een voor ons onbekende journalist het centrum binnen en ik bracht hem bij dat meisje. Andere hongerstakers en enkele actievoerders waren daar ook bij.

Net als iedere buitenstaander die voor het eerst onze woonplaats binnenkwam was deze journalist ook onder de indruk van de slechte omstandigheden waaronder mensen daar gehuisvest waren. Meerdere mensen of gezinnen moesten op één kamer wonen, ook als de verblijfsduur opliep tot drie jaar. Wat je niet kon zien was dat de asielzoekers zich erg vernederd voelden. Dat je voor alles je hand moest ophouden, hoe je aan banden werd gelegd en hoe je als een lastig vraagteken ergens in een computer opgeslagen werd totdat je vanzelf of door een virus zou verdwijnen. En dit was wat dat meisje met haar zwakke stem probeerde duidelijk te maken.

Zij praatte in het Perzisch en ik zorgde voor vertaling. Zij sprak moeilijk, haar woorden leken als zware stenen, die zij nauwelijks kon tillen. Bij ieder woord vreesden we dat dat het laatste zou zijn. Haar verwonde ziel lag bloot voor onze ogen. Wij herkenden onze eigen verwondingen die achter een geduldig masker verscholen lagen en nu opeens door deze actie naar buiten kwamen. Door haar verzwakking was het masker bij haar volledig weggevallen.

De journalist zat geschokt te kijken en vroeg weinig. Het was overduidelijk wat er aan de hand was. Hij nam vriendelijk afscheid en vertrok met zijn notities. Hij was net weg toen drie Afrikaanse asielzoekers bij mij kwamen om te zeggen dat zij ook in hongerstaking wilden gaan. Twee van hen waren vrouwen, van wie een zwanger. Ik rende naar de uitgang om dit aan de journalist door te geven.

Hij liep iets verderop in de straat die verder leeg was. Ik riep hem, hij stopte en draaide zich om. Ik liep naar hem toe en zei dat er nog drie mensen in hongerstaking wilden gaan. Hij verzekerde mij dat hij dit bij de rest zou zetten. Toen hij dit zei keek ik naar zijn gezicht en merkte dat zijn ogen nat waren. Hij vermeed mijn blik en liep verder.

Zijn betraande ogen zie ik nog steeds voor me. Hij had gevoeld waarom die asielzoekers zich verhongerden. Niet om het eten, maar `Om een beetje waardigheid'. Dat was de titel van zijn reportage. Ik vergeet hem nooit.