Nordholt blijft koeltjes bij zijn verhoor

Gisteren verscheen oud-hoofdcommissaris van politie E. Nordholt voor de parlementaire enquête-commissie.

De voormalige Amsterdamse hoofdcommissaris van politie E. Nordholt, thans vrij gevestigd adviseur, heeft het vaker meegemaakt. Verhoord worden als getuige in een parlementaire enquête. Geen spoor van onwennigheid dus toen hij gisteren verscheen voor de enquêtecommissie van de Tweede Kamer, die de ramp van 4 oktober 1992 in de Bijlmer onderzoekt. Integendeel, niet eerder schoot hij zo onbekommerd in de lach wanneer een commissielid weer eens bleef aandringen op een zijns inziens ondergeschikt punt. ,,Dat heb ik u daarnet al verteld'', klonk het dan afgemeten. Of gaf zijn mimiek aan er even geen raad mee te weten. Bijvoorbeeld toen hij werd ondervraagd over het opstellen van videocamera's op de rampplek: ,,Ik heb daar niet om gevraagd.''

Nordholt zei als lid van de rampenstaf niets te hebben vernomen over een boodschap over de mobilofoon van de rijkspolitie op Schiphol, die die avond bij het politiebureau in Amsterdam zou zijn binnengekomen met de mededeling dat het verongelukte toestel gevaarlijke stoffen had vervoerd. De centralist, die de boodschap ontving en bovendien het verzoek kreeg deze door te geven aan een rijkspolitieman op de plek van de ramp, verzuimde dat laatste. Dit bleek pas afgelopen dinsdag uit een bandopname van de avond van de ramp, die bewaard is gebleven. Op bevel van Nordholt.

Er is inmiddels contact gezocht met de betrokken medewerker, zo vertelde Nordholt, maar die kon zich niets meer van het voorval herinneren. Ook 37 andere medewerkers van de politie, die bij een intern onderzoek van de Amsterdamse politie zijn gehoord in verband met de kwestie, verklaarden allen van niets te hebben geweten.

De voormalige hoofdcommissaris zei dat hij er steeds vanuit was gegaan dat de lading bestond uit machine-onderdelen, parfum en - na een verklaring van de toenmalige minister Maij-Weggen daarover - bloemen. Om twintig voor tien die eerste avond ontving hij van Schiphol de bevestiging: geen gevaarlijke stoffen aan boord.

Pas een jaar later hoorde Nordholt tot zijn ergernis dat er ook verarmd uranium in het vliegtuig had gezeten. ,,Als ik ook maar het idee had gehad dat er gevaarlijke stoffen of uranium aan boord waren geweest, die een gevaar zouden hebben betekend voor de collega's, dan had ik absoluut ingegrepen'', aldus Nordholt.

Hij gaf toe dat in het beleidscentrum achteraf bezien wellicht te lang was vastgehouden aan een hoge schatting van 250 doden. Juist die berekening vormde ook de aanleiding om na drie dagen de bergingswerkzaamheden te versnellen. Tot dan waren er immers relatief weinig doden en gewonden geborgen. Als de berging zou voortgaan in hetzelfde tempo, zo had Nordholt uitgerekend, zou die in totaal zo'n vier weken in beslag gaan nemen. Dat werd als te lang geoordeeld. Daarom werd tegen de zin van het Rampen Identificatie Team (RIT) besloten om de berging te versnellen. Nordholt zei dat hij daarvoor destijds de verantwoordelijkheid had genomen. ,,De reactie op het besluit was emotioneel. Men verzette zich krachtig.'' Tevergeefs.

De vroegere Amsterdamse hoofdcommissaris wees de kritiek dat hij zich in de dagen van de ramp wellicht te weinig in het crisiscentrum op het Amsterdamse stadhuis zou hebben opgehouden van de hand. Volgens hem was het juist nuttig geweest dat hij zich ter plaatse met allerlei betrokkenen had verstaan. Niet alleen op de plek van de ramp, maar ook in het opvangcentrum voor de slachtoffers, in de hangar op Schiphol waar de identificatie plaats had en op het hoofdbureau van politie.

Nordholt had eerder overigens verklaard dat hij op de avond van de ramp even na zevenen als eerste was gearriveerd in het crisiscentrum op het stadhuis, dat hij als een soort bunker omschreef. Hij had er zelf het licht aan moeten knippen en was maar achter het bordje waarop ,,hoofdcommissaris'' stond gaan zitten. Volgens Nordholt was het geen probleem om veel onderweg te zijn, wanneer je maar op je medewerkers kon vertrouwen, ook tijdens zo'n ramp. ,,In zo'n situatie zullen geen onervaren mensen operationele bevoegdheden krijgen'', stelde Nordholt.

De vroegere hoofdcommissaris zei dat hij geen gebruik had gemaakt van het rampenplan aangezien hij de essentie daarvan toch al in zijn hoofd had zitten. Op herhaalde vragen van de commissie of het niet beter was geweest meer te oefenen voor zulke rampen, zei Nordholt het daarmee niet eens te zijn. De Amsterdamse politie had in 1992 wel enige ervaring met grootschalige optredens en is daardoor eigenlijk voldoende geoefend, betoogde hij.

De laatste getuige gisteren was R. Janssen, de voorzitter van de stadsdeelraad Zuid-Oost. Hij was om half een `s nachts door toenmalig burgemeester Van Thijn ontboden naar het beleidscentrum. ,,Ik wist niet dat mijn aanwezigheid daar vereist was'', deelde Janssen mee. Hij had het graag eerder geweten, maar veel schade zou het volgens hem ook niet hebben veroorzaakt. Dat was naar zijn mening wel het geval met de pasjesregeling die vanuit het beleidscentrum was ingevoerd voor het bezoek aan de sporthal in de Bijlmer. ,,Dat gaf een rellerige sfeer waar de politie nog aan te pas is gekomen'', aldus Janssen. Ook hij had pas in 1993 vernomen dat er uranium in het verongelukte toestel was aangebracht. ,,Daar ontstond toen een geweldige commotie over.''