Minister De Vries in mijnenveld

400.000 mensen in de Bijstand; 890.000 in de WAO. Tel partners en opgroeiende kinderen erbij op, en het gaat om een op de tien Nederlanders. En het eeuwige dilemma komt weer op: is er genoeg vertrouwen dat al deze mensen inderdaad afhankelijk zijn van een uitkering, zodat het billijk is dat de meer fortuinlijke Nederlanders daarvoor belasting en premie betalen, of is het systeem zo gammel dat straks – en niet voor het eerst – de uitkeringen toch weer worden bevroren of verlaagd omdat de politici onbekwaam zijn om Bijstand en WAO beter te sturen. Minister Klaas de Vries moet dus verder met de organisatie van Bijstand en WAO, maar daar ligt een lastige erfenis.

Voor wat betreft de Bijstand betaalt het Rijk 90 procent van alle uitkeringen, en bovendien de salarissen van het personeel bij de Sociale Dienst. Dus is het nog steeds zo – recent bijvoorbeeld in Tilburg – dat een gemeente voortgang boekt bij het inkrimpen van de kaartenbak bij de Sociale Dienst, maar dan moeilijk het succes kan uitbouwen, omdat de gemeente er inclusief uitplaatsing van personeel van de Sociale Dienst, zelf in feite financieel op achteruitgaat. Het Rijk controleert wel of de gemeente correct iedere uitkering berekent, maar betaalt daarna probleemloos toch 90 procent van de kosten, ook voor al die gemeenten waar de helft of meer van de cliënten op z'n hoogst een keer per jaar iets hoort van de Sociale Dienst. Het Rijk moedigt datzelfs aan met de nieuwe circulaire SWI – C3 waarin alle gemeenten vanaf 1 januari 1999 het volgende protocol moeten hanteren: ,,U beoordeelt het non-verbale en andere gedrag, uiterlijk en voorkomen van de klant. Is de presentatie van de klant dermate afwijkend dat dit het verkrijgen van werk voorlopig in de weg staat, dan kan de klant in fase 4 worden ingedeeld''. Fase 4 betekent: wel een maandelijkse uitkering, maar verder helemaal onderin de kaartenbak en uitsluitend `passieve bemiddeling'. Dat is Orwell-taal voor `verwaarlozen'.

Iedereen kan begrijpen dat sommige mensen zonder meer recht hebben op een uitkering omdat ze werkelijk niet kunnen werken. Maar het is wrang dat politici in Den Haag zo gemakkelijk kritiek hebben op de Sociale Diensten in de grote steden, en intussen een circulaire rondsturen die misschien past bij de filosofie van een basiskomen voor iedereen, maar zeker niet bij de nieuwe Bijstandswet. Artikel 14 van die wet is in 1996 nog veranderd en bevat de volgende tekst: ,,Indien [een cliënt]... na het aanvragen van de Bijstand onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen van arbeid... [dan] weigeren burgemeester en wethouders de Bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk''. Een mooi artikel in de wet; een dure wassen neus in de praktijk. Er valt immers niets mee te werken wanneer de gemeente voor de helft van de cliënten zelf helemaal niet werkt. En dat komt weer omdat het Rijk en stom financiert en dwingend een verkeerd protocol rondstuurt.

Al even treurig verloopt het debat over de WAO. Ook daar is het Rijk inconsistent. Voorzitter Buurmeijer van het Lisv knijpt de bestaande uitvoeringsinstellingen zo af dat die moeten beknibbelen op de medische begeleiding van WAO'ers. En dat nog maar een paar jaar nadat de politiek plechtig had vastgesteld hoe belangrijk het is dat vooral jongere WAO'ers regelmatig contact houden met artsen en arbeidsdeskundigen. Keuringsarts Althuisius verklaarde deze week ,,er komen niet minder mensen in de WAO – en als verzekeringsarts heb ik en mijn collega's geen tijd meer voor de belangrijke gevallen [...] vaak ontbreekt het de arts simpelweg aan tijd.'' En wat de één-loket-gedachte betreft, hebben minister De Vries en staatssecretaris Hoogervorst zichzelf helaas in een dode hoek laten manoeuvreren. Hun uit Engeland gekopieerde plan om iedere potentiele cliënt voor Bijstand, WAO of Werkloosheidsuitkering eerst te ontvangen in een `job-center' dicht bij huis is het proberen waard. Daar zouden mensen informatie kunnen krijgen over hun rechten en plichten en hulp met het invullen van de eerste formulieren. Maar daarna komen burgers toch terecht bij gespecialiseerde instellingen als de Sociale Dienst of het GAK. Dus moeten De Vries en Hoogervorst twee belangrijke beslissingen nemen. Ten eerste of de kleine ontvangstkantoren echt klein gaan worden omdat de echte expertise al elders aanwezig is, ofjuist heel omvangrijk, hoewel dat betekent dat zo'n 20.000 functionarissen moeten overstappen van gemeente of GAK naar een nieuw kantoor. Bovendien moeten De Vries en Hoogervorst uitmaken wie de baas wordt over die honderden nieuwe ontvangstkantoren. Het advies van bijna alle deskundigen luidt om de ontvangstkantoren klein te houden en daarmee een even zinloze als kostbare aardverschuiving in de sector te voorkomen. Bij kleine kantoren wordt de tweede vraag – wie is de baas – onbelangrijk. Nu hebben helaas De Vries en Hoogervorst de ernstige politieke fout gemaakt om de keuze tussen klein en groot uit te stellen, zodat er misschien toch een vette kluif valt te verdelen aan baantjes voor bestuurders van de ontvangstkantoren. Daarover is nu een knetterende ruzie ontstaan tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en VNO-NCW, samen met de vakbonden, die allemaal zo veel mogelijk bestuurszetels opeisen. Naar verluidt willen De Vries en Hoogervorst binnen twee weken beslissen, en tenminste de helft van het`veld' zal wel heel boos zijn. Lees voor `het veld' de bonzen, want naar de mening van de 1,3 miljoen cliënten is niet gevraagd. De Vries en Hoogervorst zijn het mijnenveld moedig ingemarcheerd, maar eerlijk gezegd is het wel zo dat iedere verstandige onderneming eerst beslist over de taken van een nieuw kantoor en daarna de beste directie zoekt. Zo moeten De Vries en Hoogervorst natuurlijk ook eerst instemming verkrijgen van het parlement over de reikwijdte van de nieuwe ontvangstkantoren voor Bijstand, werkloosheid en WAO. Worden die efficiënt en klein, dan kan, overigens net als in Engeland, waar het hele idee vandaan komt, het Rijk die kosten gewoon betalen en vervalt de noodzaak tot kibbelen tussen VNG, VNO-NCW en Vakbeweging.

Er is zoveel belangrijker werk te doen in de sociale zekerheid dan gevechten tussen beroepsbestuurders over `jobs for the boys'.