Media moeten schandaalkoers bij Bijlmerenquête mijden

De mediaberichtgeving over de Bijlmerenquête richt zich voornamelijk op de publieke verontwaardiging en niet op het doorgronden van de feitelijke gevolgen van de ramp voor de volksgezondheid, meent Peter Vasterman. De vraag hoe gevaarlijk de lading precies was, krijgt in de pers veel minder aandacht dan de schuldvraag.

Voor de media heeft de start van de parlementaire enquête naar de Bijlmerramp een perfect verloop gekend. De eerste week werd getekend door de dramatiek van de verhalen van slachtoffers, nabestaanden en hulpverleners. Het startschot voor de tweede week bevatte zelfs groot vuurwerk: het opduiken van de `vergeten' geluidsband met de onthulling dat er gif, gassen, `cartridges' en brandbare stoffen aan boord waren en dat een verzoek tot geheimhouding door de verkeersleiding werd ingewilligd. In één klap leek een eind gekomen aan zes jaar onzekerheid.

Het `onder de pet houden' zorgt voor een mokerslag die de daarop volgende berichtgeving volledig beheerst. De stroom van woedende reacties en beschuldigingen leidt tot een soort collectieve verontwaardiging die breed wordt uitgemeten.

Het eindeloos herhalen van het nieuws over de geluidsband versterkt het gevoel dat een grote doorbraak is bereikt en dat de enquête zijn bestaansrecht al na een week heeft bewezen. De harde uitspraken van Kok bevestigen vervolgens het crisisgevoel en het historische karakter van de bandopname. In de dagen daarna blijkt de `Grote Onthulling' bepalend voor de beoordeling van alle daaropvolgende informatie.

Getuigenverklaringen dat de opmerkingen op de geluidsband betrekking hadden op een andere vrachtbrief, namelijk van de uitgeladen lading, en dat in de luchtvaart van alles en nog wat valt onder gevaarlijke stoffen, krijgen veel minder aandacht of worden als deel van een cover up beschouwd.

Typerend voor de werkwijze van de media in deze fase is de eenzijdige belangstelling voor `bevestigende' bronnen die de algehele verontwaardiging kunnen versterken. Pas na enkele dagen ontstaat er weer ruimte voor twijfel.

Zo brengt de Volkskrant een artikel waarin deskundigen wijzen op het specifieke gebruik van de term gevaarlijke stoffen in de luchtvaart: cosmetica en parfum vallen daar namelijk ook onder. Men is verbaasd over de onkunde en massahysterie. Ook in het televisieprogramma Buitenhof worden vraagtekens gezet bij de `Grote Onthulling' en de context waarin de uitspraken op de band zijn geplaatst. In de dagen daarna groeide de twijfel, resulterend in de onthulling van de Volkskrant van afgelopen woensdag dat uit het beladingsplan blijkt dat inderdaad een deel van de lading (de explosieven) op Schiphol is achtergebleven. In Het Parool van diezelfde dag stelt de directeur van het bedrijf DGM (Dangerous Goods Management) dat het verbranden van de kerosine en de Bijlmerflats meer schadelijke effecten voor hulpverleners en bewoners zal hebben opgeleverd dan de kleine hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Bovendien is dan al uit de verhoren gebleken dat tal van mensen op de fatale avond wisten dat de lading gevaarlijke stoffen bevatte, maar dat die kennis niet heeft geleid tot een andere aanpak van de hulpverlening.

Frappant is dat de onthulling van de Volkskrant over de uitgeladen stoffen nauwelijks door de andere media wordt overgenomen. Er volgt geen bijstelling van de betekenis van de uitspraken op de beruchte geluidsband. De verontwaardiging en zelfs de paniek lijken alleen maar verder toe te nemen. De Stichting Korrelatie krijgt honderden telefoontjes, terwijl artsen van het AMC zich persoonlijk bedreigd voelen en niet herkenbaar gefilmd willen worden tijdens hun persconferentie.

In allerlei artikelen, radio- en tv-reportages blijft het beeld hangen dat er uiterst gevaarlijke, explosieve stoffen aan boord waren en dat daar grote gezondheidsrisico's uit voort zijn gekomen.

De werkwijze van de media bij dergelijke schandalen in wording vertoont vaak dezelfde patronen. De enorme druk op de redacties leidt tot een ware klopjacht op nieuws met als gevolg dat alles uitvoerig aan bod komt; ieder nieuw detail kan immers een grote onthulling opleveren. De concurrentie is groot en alles wat ook maar in verband gebracht kan worden met het schandaal zal excessief veel aandacht krijgen.

Hoewel de enquêtecommissie nog lang niet klaar is met de verhoren rolt de mediawals op volle kracht voort. Er kan nieuws worden gemaakt, niet alleen door eigen onderzoek, maar vooral ook door woordvoerders en politici op elkaar te laten reageren. En anders wel door gewaagde speculaties over de mogelijke personele gevolgen van ,,het verzwijgen van de uiterst giftige en explosieve lading''. Zo trekt dagelijks een stoet van deskundigen, ooggetuigen en journalisten voorbij die de feiten en verhoren tot op het bot uitbenen.

Zoals uit onderzoek naar risicoberichtgeving blijkt, laten de media zich hierbij eerder leiden door de schandaal- dan door de risicofactor: de nadruk in de berichtgeving ligt vooral op de verontwaardiging in plaats van op het doorgronden van de feitelijke gezondheidsrisico's.

De vraag hoe gevaarlijk die lading en dat verarmd uranium nu precies waren, krijgt in de journalistieke opwinding veel minder aandacht dan de schuldvraag. Daarbij komt dat het verslaan van de politieke gevolgen veel makkelijker is dan het onderzoeken van de gevolgen van de ramp voor de volksgezondheid. Dit patroon wordt versterkt door de moeite die journalisten doorgaans hebben met genuanceerde uitspraken van wetenschappers over die gezondheidsrisico's. Juist als die deskundigen beweren dat deze uiterst klein zijn, gaan bij journalisten juist de alarmbellen rinkelen.

In dit verband is een vergelijking met de BSE-crisis van 1996 leerzaam. Ook toen was er jarenlang sprake van een door de overheid ingesteld informatievacuüm, waardoor het vermoeden van een cover up werd versterkt. Het uitlekken van het officiële onderzoeksrapport waarin het verband tussen BSE en de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (CJD) niet langer werd uitgesloten, leidde in combinatie met een gebrekkige crisiscommunicatie van de overheid tot een gigantische nieuwsexplosie, waarin de link tussen BSE en CJD al snel een vaststaand feit werd. Opmerkelijk genoeg verschenen er toen ook vrij snel nuchtere stukken in de pers waarin de BSE-CJD-risico's in een redelijk perspectief werden geplaatst, maar toen was de economische en politieke crisis al een feit.

Dezelfde dynamiek is te zien bij de Bijlmer: de `Grote Onthulling' heeft de toon gezet voor de daaropvolgende berichtgeving. En dat zal ook zo blijven. Omdat alles nu onder het vergrootglas van de enquêtecommissie ligt, zullen er nog veel meer fouten, blunders en vergissingen aan de oppervlakte komen, waardoor het schandaal zich verder kan uitbreiden. Misstappen of verkeerde beoordelingen van de overheid zullen breed worden uitgemeten, ook al is het verband met de gezondheidsrisico's uiterst dun of zelfs helemaal afwezig. De media zullen er impliciet vanuit gaan dat de lading en het verarmd uranium daadwerkelijk hebben geleid tot blootstelling aan grote gezondheidsrisico's, want anders valt de bodem onder het schandaal weg.

Het is begrijpelijk dat journalisten gretig doorgraven in het schandaal en de vele fouten die zijn gemaakt, maar ze zouden veel meer oog moeten hebben voor het gezondheidsrisico. Wat is het belang van het al dan niet doorspelen van informatie als dat geen enkele gevolgen heeft gehad voor de blootstelling van hulpverleners en Bijlmerbewoners aan ernstige gezondheidsrisico's? Als er de komende weken weer iemand aan de schandpaal wordt genageld, zal het de pers nog veel moeite kosten om dat in de gaten te houden.

Peter Vasterman is docent massacommunicatie aan de School voor de Journalistiek in Utrecht.