L- EN M-KEGELTJES OP HET NETVLIES LIGGEN BIJ IEDEREEN ANDERS

Onderzoekers van de University of Rochester in New York hebben voor het eerst heldere beelden gemaakt van de L- en M-kegeltjes in het menselijke netvlies (Nature, 11 februari). Deze typen kegeltjes, die respectievelijk de kleuren geel-groen en groen waarnemen, blijken per persoon totaal anders verdeeld over het netvlies.

Het menselijk netvlies bevat 120 miljoen staafjes (voor de waarneming van licht en donker) en 6 miljoen kegeltjes (voor de waarneming van kleur). De kegeltjes liggen vooral geconcentreerd in de gele vlek, de plaats op het netvlies waar voorwerpen het scherpst worden afgebeeld. Hoe verder van deze gele vlek, hoe minder kegeltjes er in het netvlies liggen. De drie typen kegeltjes - S, L en M - hebben verschillende pigmenten die hun optimale absorptiepunt bij respectievelijk 450 nm (blauw), 525 nm (groen) en 550 (geelgroen) hebben. De spectra van de pigmenten overlappen elkaar gedeeltelijk. Hoe de verschillende typen kegeltjes over het netvlies verdeeld liggen, was tot voor kort zo goed als onbekend. Alleen van de S-kegeltjes - 5 tot 10 procent van alle kegeltjes - was het patroon redelijk bekend. Zij vormen een regelmatig mozaïek op het netvlies.

Austin Roorda en David Williams hebben een techniek uit de astronomie, de adaptieve optiek, gebruikt om beelden te maken van de L- en M-kegeltjes. Ze belichtten een aan het donker aangepaste retina met rood of blauw licht. Rood licht `bleekt' specifiek het L-pigment en maakt de L-kegeltjes zichtbaar als witte puntjes. Blauw licht bleekt de M-kegeltjes.

De Amerikanen onderzochten de verdeling van de twee typen kegeltjes bij twee personen. Bij `JW' bleken de L- en M-kegeltjes willeurig verspreid, maar bij `AN' lagen ze duidelijk gegroepeerd bij elkaar. Hoewel hun techniek nog niet optimaal is, concluderen Roorda en Williams dat er tussen personen een groot verschil is in de verdeling van de L- en M-kegeltjes.

In een commentaar vraagt Heinz Wässle van het Max Planck Institut für Hirnforschung in Frankfurt zich af waarom trichromatie (het zien van drie kleuren) alleen in primaten is geëvolueerd en niet in andere zoogdieren. Volgens de Duitser heeft het netvlies in de loop van de laatste 30 miljoen jaar ingrijpende veranderingen ondergaan. Bij veel zoogdieren geeft een groepje kegeltjes een signaal door aan één zogenoemde bipolaire cel. Die stuurt een enkel signaal door aan de zenuwcellen die naar de visuele hersenschors lopen. Bij primaten ontwikkelde zich een systeem waarbij elk kegeltje zijn signaal doorgeeft aan zijn eigen bipolaire cel die het signaal vervolgens ook weer doorgeeft aan maar één zenuwcel. Deze betere signaalverwerking gaf een betere resolutie van het opgevangen beeld. In de loop van de evolutie gingen de kegeltjes zich verder specialiseren en ontstond het trichromatisch systeem met S-, L- en M-kegeltjes.

(Marcel aan de Brugh)