Kosovo

In zijn bijdrage `Kosovo kan herhaling van illusies worden' (NRC Handelsblad 6 februari) over de Nederlandse betrokkenheid bij het reilen en zeilen op de Balkan, stelt Jan Bank terecht dat deze niet dateert uit de tijd van het Srebrenica-gebeuren maar zo oud is als deze eeuw.

Ook heeft hij gelijk als hij opmerkt dat de eeuw begon met de Balkanoorlogen. Hij gaat bij het opsommen van de Nederlandse betrokkenheid bij het `Oostersch tumult' evenwel in de fout, doordat hij deze gedurende de Balkanoorlogen beperkt tot een in 1912 uitgestuurde ambulance.

Met het oog op het `zelfstandig waken voor de belangen der Nederlanders door het zenden van oorlogsschepen' besloot de toenmalige Nederlandse regering in november 1912 twee kruisers naar de Turkse steden Istanbul en Izmir te sturen, om aan tientallen daar aanwezige landgenoten bescherming te bieden. Beide schepen werden vervolgens nauwelijks voor humanitaire doeleinden ingezet, maar raakten wel betrokken in een militair-politiek machtsspel doordat de Turkse autoriteiten Westerse oorlogsschepen graag binnen de Turkse wateren zagen om opdringende Bulgaarse troepen weg te houden van de hoofdstad Istanbul.

De Balkanoorlogen bleven vervolgens voor hoofdbrekens in Den Haag zorgen, doordat er een kloof bleef gapen tussen de machtspolitieke belangen van de met diverse oorlogsschepen voor Istanbul aanwezige Europese grote mogendheden en Nederlandse belangen die voortkwamen uit prestige-overwegingen en de opvang van eigen ingezetenen. Aan deze voor het neutrale Nederland hachelijke situatie kwam pas in november 1913 een einde, nadat de strijdende partijen op de Balkan in augustus van dat jaar tot een vredesverdrag waren gekomen en Den Haag zijn laatste kruiser uit het crisisgebied terug kon trekken.

Deze eerste – met problemen omgeven – Nederlandse humanitair/militaire inzet op de Balkan in deze eeuw mag derhalve niet ontbreken in de door Jan Bank aangehaalde lijst van illusies en teleurstellingen.