Jordaanse economie wankel

De nieuwe Jordaanse koning Abdallah erft een economie die door vele tegenslagen in het slop is geraakt. Behalve recente zaken als de Azië-crisis en de lage olieprijzen spelen al langere tijd de sancties jegens Irak en het fragiele vredesproces. Toch blijft er hoop op herstel.

President James Wolfenson van de Wereldbank aan de kist. Dat was voor Nabil, een jonge Jordaanse zakenman, een van de weinige lichtpuntjes van de afgelopen weken. Hoewel Nabil zich, net als alle andere Jordaniërs, eerst zorgen maakte over de gezondheid van koning Hussein en nu diep rouwt over diens dood, gold zijn grootste angst toch de zieltogende Jordaanse economie. Het feit dat behalve wereldleiders als Bill Clinton en Boris Jeltsin ook Wolfenson maandag naar de begrafenis kwam in het Raghadan-paleis, is voor hem ,,een pleister op een gapende wond''.

Nabil en zijn vrienden zijn goed gekleed, rijden in Japanse auto's met cd's waar ze 300 procent importbelasting over hebben betaald, en geven veel geld uit in nieuwe restaurants aan het upmarket Abdoun-plein. Ze zitten allen in de zaak van hun vaders: kledingimport, creditcards, aannemerij, mobiele telefoons. Maar hoe goed ze het zelf hebben, zij weten dat de werkloosheid in Jordanië is gestegen tot zo'n 30 procent, dat de export in 1998 met 4 procent terugliep en de buitenlandse schuld 7 miljard dollar bedraagt – meer dan het bruto nationaal product van 6,5 miljard.

Op spoedig herstel is geen zicht. Irak zit `dicht' door het VN-embargo. Israel houdt Israelische en Palestijnse markten vanwege veiligheid en protectionisme afgeschermd. Om politieke redenen is de handel met Syrië en Saoedi-Arabië praktisch non-existent. Aangezien Jordanië tegelijkertijd omvangrijke economische hervormingen doorvoert, betaalt de arme massa de prijs. ,,Ik zie ineens bedelaars op straat'', zegt Nabil. ,,Ik vrees dat het erger wordt. De buurlanden zullen elke rel als altijd uitbuiten om het koningshuis te ondermijnen. Ik hoop dat onze nieuwe koning Abdallah, economisch onervaren, Jordanië voor het faillissement kan behoeden.''

Die hoop hebben de Verenigde Staten ook. Jordanië, een woestijnland met ruim vier miljoen inwoners zonder natuurlijke rijkdommen als olie of goud, en met een jaarlijkse economie van slechts 4,5 miljard dollar, is voor hen een onmisbare politieke buffer tussen brandhaarden als Israel en Irak. Washington wil Jordanië, een sterke pion in het vredesproces die jaarlijks 225 miljoen dollar Amerikaanse steun krijgt, stabiel houden – desnoods door het aan een financieel infuus te leggen.

Omdat Jordaniërs bij elke crisis naar de geldwisselaar rennen om dinars voor dollars in te wisselen, zegden de Verenigde Staten voor 's konings dood snel 300 miljoen toe – een bedrag dat anders over de komende drie jaar was uitgesmeerd. Zij vroegen G7- en Golfstaten ook voor bankreserves te zorgen of schulden kwijt te schelden. Alleen de Emiraten, de Golfstaat die over genoeg cash beschikt, hebben een onbekend bedrag naar de Centrale Bank van Jordanië overgemaakt. Ook Israel overweegt 200 miljoen te storten. De Wereldbank stuurt versneld een lening van 100 tot 120 miljoen dollar, de derde in vijf jaar.

Jordanië had jaren een staatsgeleide economie. Zoals in alle Arabische landen compenseerde het land gebrek aan democratie met `giften' aan het volk, zoals subsidies op brood en huren en automatische werkverschaffing voor schoolverlaters. De koning kocht huizen en auto's voor z'n onderdanen. Tot eind jaren tachtig ging dat goed. Toen tijdens de oorlog tussen Irak en Iran de Shatt al-Arab waterweg dichtging, werd Jordanië het toevoerland tot Irak. Wapens, voedsel, gloeilampen – alles vond zijn weg naar Bagdad via de Jordaanse haven Aqaba. De dienstensector, die 81 procent van de economie beslaat, profiteerde.

Toen Irak door de oorlog verarmde, betaalde Jordanië ook de prijs. Toen Irak Koeweit binnenviel en Jordanië weigerde de geallieerden te steunen, stortte de economie in elkaar. Golfstaten, die de koning altijd ruimhartig steunden, sloten voor straf de geldkraan. In de Jordaanse stad Ma'an, de florerende overslagstad tussen Aqaba en Bagdad, ligt het leven nu vrijwel stil. Bijna iedereen is er werkloos. Bovendien verlaagde koning Hussein de broodsubsidies.

,,De Jordaanse economie groeide in 1998 minder dan 1 procent'', zegt Christian Petersen, econoom bij de afdeling Middle East and North Africa (MENA) bij de Wereldbank in Washington. ,,Met een bevolkingsgroei van 3 procent komt dat neer op een negatieve groei van het bruto binnenland product per hoofd.'' Oorzaken voor de lage groei zijn niet alleen de gesloten markten in Irak, Israel en de Palestijnse autonome gebieden. Door de crisis in Azië is ook de export van de enige twee grondstoffen, fosfaten en potassium, gekelderd. Kunstmestexport naar Korea daalde sinds 1997 met 30 procent. Hoewel er een normalisatie is met de Golf (de Jordaanse ambassade in Koeweit gaat na 8 jaar weer open), zorgt nu de lage olieprijs voor problemen. In 1998 stuurden Jordaanse gastarbeiders in de Golf 7 procent minder geld naar huis. Toerisme, dat na het vredesakkoord met Israel aantrok, stagneerde weer sinds Netanyahu in 1996 premier werd in Israel. Zonder florerend vredesproces blijven toeristen weg.

Op korte termijn is Jordanië een zorgenkind. Maar uit het feit dat er geen grootscheepse run op de dollar ontstond na de dood van de koning, blijkt dat de Jordaanse bovenklasse toch hoop houdt op economisch herstel. Hervormingen gaan door: bank-, investerings- en verzekeringswetten worden aan internationale verdragen aangepast, telefonie en openbaar vervoer geprivatiseerd, de tergende bureaucratie gesnoeid.