`In een inrichting genees je niet'

Niet het horen van stemmen is gek, vindt sociaal-psychiater Marius Romme, maar de macht die de ontvanger eraan toekent. Hij ontdeed de gekken van hun gekte en wierp zich op als voorvechter van de stemmenhoorders. Onlangs nam hij afscheid als hoogleraar aan de Universiteit van Maastricht.

Onlangs nam hij afscheid als hoogleraar sociale psychiatrie in Maastricht, een vakgebied dat hij er zelf sinds 1974 hielp ontwikkelen. Marius Romme, zoon van de vermaarde KVP-politicus C.P.M. Romme, heeft in zijn jonge jaren even met de gedachte gespeeld de voetsporen van zijn vader te drukken en ook de politiek in te gaan, maar een carrière als `zoon van' trok hem toch niet erg aan. Hij koos uiteindelijk voor de psychiatrie, maar dan wel de sociale variant. En hij koos zijn leven lang voor de patiënt als mens, niet als toevallige drager van een psychiatrisch ziektebeeld.

,,Het gevoel voor rechtvaardigheid heb ik van mijn vader. Later vond ik dat terug bij Arie Querido, mijn leermeester in het vak. Die was in de crisistijd in Amsterdam begonnen als rijdende psychiater, dertig jaar later deed ik hetzelfde. In een dienstauto met chauffeur door Amsterdam, twintig bezoeken op een avond. Hij vond destijds al dat opname in een inrichting lang niet altijd noodzakelijk was, ik ben gaan onderzoeken wat nu eigenlijk de factoren zijn die bepalen of iemand al dan niet wordt opgenomen. Op dat onderwerp ben ik bij hem gepromoveerd.

,,De indicatie bleek hoofdzakelijk negatief: mensen hebben thuis een probleem, bijvoorbeeld vrouwen die weigeren om nog langer het huishouden te doen; ze reageren daarop als protest met ingewikkeld gedrag en worden uitgestoten. Je belandt dus niet in de inrichting op basis van je genezingskansen, maar uit machteloosheid. In het ziekenhuis treedt vervolgens een doelverschuiving op: men bestrijdt de reactie van de patiënt in plaats van het probleem.

,,Het grote gevaar is dan dat mensen daar vervreemden. Niet alleen van de maatschappij, maar ook van zichzelf. Vooral omdat de klassieke ziekenhuisorganisatie is overgenomen, met alle roosters en diensten van dien. Dat verhindert vertrouwensrelaties tussen staf en patiënten. In een gewoon ziekenhuis, waar men lichamelijke aandoeningen behandelt, is dat niet zo erg, maar bij psychiatrische patiënten is dat fnuikend. Niet hun problemen staan dan centraal, maar het management en de controle. Genezen doet men er niet.''

Dat moest anders kunnen, dacht Romme, die halverwege de jaren zestig directeur werd van de Katholieke Stichting Geestelijke Gezondheid, de voorloper van de RIAGG in Amsterdam. In 1967 richtte hij het Sluisinternaat op. Een experiment met avond- en nachtopvang, bedoeld om de overgang van het ziekenhuis naar de eigen omstandigheden thuis wat soepeler te laten verlopen. En uiteraard met een andere interne organisatie, één die inniger emotionele banden tussen staf en patiënten mogelijk maakte. De directe hulpverlening werd in handen gegeven van psychiatrisch-verpleegkundigen die ieder niet meer dan vier patiënten onder hun hoede kregen. Dit alles onder supervisie van een psychiater en een psychotherapeut. ,,Het heeft 25 jaar goed gedraaid, zij het dat in de loop der jaren het accent verschoof naar crisisopvang van vaak suïcidale jongeren.''

De bezwaren tegen de klassieke psychiatrische inrichting, gecombineerd met pleidooien voor een menselijker alternatief, blijken een constante in Rommes leven. Begin jaren tachtig nam hij samen met zijn tweede leermeester, psychiater Kees Trimbos, zijn eerste baas bij de Katholieke Stichting Geestelijke Volksgezondheid, het voortouw tot een grootscheepse actie die zich rechtstreeks op de nationale politieke besluitvorming richtte. Het ging om de geplande nieuw- en verbouw van grote psychiatrische ziekenhuizen.

Romme vormde een initiatiefgroep die een moratorium op die bouwplannen bepleitte. Dat geld, vond hij, kon veel beter geïnvesteerd worden in de ambulante en de thuiszorg. Psychiatrische ziekenhuizen, zo meende het nogal radicaal geformuleerde adres van de moratoriumgroep aan regering en parlement, waren achterhaald, overbodig, onnuttig, zelfs schadelijk.

De actie leidde tot een vloed aan krantenartikelen en uiteindelijk tot een motie van het toenmalige Kamerlid Erica Terpstra met het verzoek de bouwplannen te heroverwegen.

Romme nu: ,,Het heeft redelijk succes gehad; veel plannen zijn ofwel in de ijskast gegaan, of bijgesteld. Over de rol van het psychiatrische ziekenhuis is mijn mening niet veranderd. Ik weet ook wel dat je niet geheel zonder kunt, maar het is belangrijk om alternatieven te creëren. Die houding heeft mij ook altijd onderscheiden van de antipsychiatrie. Die had goede kritiek maar geen alternatief.''

De antipsychiatrie was vooral in de jaren zeventig nogal en vogue: een heftig protest tegen een maatschappij die mensen gek maakte en een psychiatrie die de gekte vervolgens met opname, pillen en elektroshocks te lijf ging.

,,Het terugvertalen van de problemen naar de maatschappelijke condities, dat deden we in de sociale psychiatrie allang. Trimbos wees daar al op. Overigens een buitengemeen inspirerend en integer man. Omstreden ook. Dat werd hij vooral toen hij televisieprogramma's ging maken over seks: over voorlichting, seks in en buiten het huwelijk, homoseksualiteit.

,,Querido was daar eveneens mee bezig. Die maakte me duidelijk dat de homo's hun plek in de samenleving hadden gevonden door zich als beweging te organiseren. Dat is trouwens wel de verdienste geweest van de antipsychiatrie: dat ze de cliëntenbeweging enorm hebben gestimuleerd. Je moet je groeperen als je zeggenschap wilt krijgen. Dat inzicht heb ik later ook toegepast bij mijn behandeling van stemmenhoorders. Als je in je eentje normen en waarden wilt aanpakken word je gek genoemd. Gek is een relatief begrip. Het is meer een onhandige manier van vechten.''

Dat hij in de psychiatrie belandde, was allerminst een vooropgezet plan. ,,Eerst wilde ik gewoon dokter worden, iets technisch, chirurg of zo. Maar tijdens mijn co-schappen werd mijn moeder ernstig depressief, en dat zette me op het spoor van de psychiatrie. Mijn moeder was kwetsbaar, kon niet goed tegen agressie. Toen er een conflict ontstond tussen mijn vader en mijn oudste zus voelde ze zich machteloos en reageerde met een depressie.

,,Zelf heb ik ook een tijd lang moeite met agressie gehad. Dat zal te maken hebben met de manier waarop mijn vader ons als kind benaderde. Hij ging de discussie aan op een bijna volwassen manier, kon zo met je praten dat je geen weerwoord meer had. Later waardeerde ik wel dat hij ons leerde een standpunt te beargumenteren. Het maakt dat je vragen gaat stellen, niet zomaar iets aanneemt, niet iets doet omdat iemand een positie heeft. Maar die aanpak heeft ook een keerzijde. Hij besprak al vroeg dingen met je op een niveau dat je helemaal niet aankon. Discussies die je wel moest verliezen. Zoiets frustreert, met mijn eigen kinderen heb ik dat bewust anders gedaan. Hij was te star, en ik heb daar nog lang last van gehad. Een gebrek aan self-esteem, gebrek aan zekerheid en durf, vooral tegenover autoriteiten. Dat is pas later verdwenen.''

Marius Romme (1934) is de tweede zoon en het vierde kind van Carl Paul Maria Romme, prominent katholiek politicus die in 1937 minister van Sociale Zaken was onder Colijn, maar die na de oorlog pas echt furore maakte. Als fractieleider van de destijds grootste partij, de KVP, van 1946 tot '61.

,,Mijn vader wilde niet in het kabinet. Dan verlies je je zeggenschap, vond hij. Ministers verdwijnen weer, fractieleiders blijven zitten. De verhoudingen waren in die dagen overigens wel anders dan nu. Drees, Oud en hij regelden met z'n drieën het politieke beleid. Het was toen veel meer een klas waarvan de bovenmeester zei hoe het moest. Toen de tijdgeest in de jaren zestig begon te keren is hij er uitgestapt.

,,Toch was het geen autoritaire man. Eerder consequent. Het ging er bij ons niet Pruisisch aan toe, maar streng was het wel, erg gereguleerd. De kinderen aten vooraf en mochten daarna nog even bij pappie en mammie in de huiskamer. Pas als je tien was mocht je mee-eten aan tafel. Als er bezoek was moest je even een handje gaan geven. En op tijd naar bed, strikt aan leeftijd gebonden.

Maar eigenlijk werden we opgevoed door kindermeisjes. Het voordeel daarvan was dat je die meer kon beïnvloeden dan je ouders. Een kindermeisje kun je versieren, terwijl ouders veel meer op richtlijnen zijn georiënteerd. Toen ik drie was deed ik dat al. Daardoor heb ik geleerd om erg mijn eigen gang te gaan. In een streng gezin geeft dat de mogelijkheid om je eigen belangen iets meer in de gaten te houden. Daar komt mijn hang naar vrijheid vandaan.

,,Mijn vader ging elke morgen naar de mis, was heel katholiek. Zelf ben ik dat kwijtgeraakt. Ik geloof nog wel in een kosmisch geheel, niet meer in een god. Dat is verdwenen toen mijn zoontje stierf, een jaar oud. Plotseling, aan een hersenvliesontsteking. Daar heb ik jaren last van gehad, er heel lang niet over kunnen praten. Woedend en verdrietig was ik. Nee, in het geloof vond ik geen troost, nergens eigenlijk. Daarom heeft de rouw zo lang geduurd. Natuurlijk, ik was psychiater en tegen een patiënt had ik gezegd dat hij erover moest praten, maar zelf kon ik het niet.

,,Dat mijn vrouw en ik ook bij elkaar geen troost konden vinden, heeft ons huwelijk geen goed gedaan. We hebben daarna twee kinderen gekregen en die samen heel leuk opgevoed, en we zijn uiteindelijk 25 jaar getrouwd gebleven, maar er was afstand, geen diepgaande individuele relatie met elkaar. Toen de kinderen uit huis gingen dacht ik: zo nog eens dertig jaar met elkaar omgaan is me te leeg, dat houd ik niet vol, dan vervul ik meer een rol dan dat ik een persoon ben. En ik had inmiddels Sandra ontmoet, dat speelde zeker ook mee. Met haar, mijn tweede vrouw nu, is de emotionele band veel sterker.''

Min of meer bij toeval betrad Romme in de tweede helft van zijn academische carrière een nieuw onderzoeksterrein: het stemmen horen. Een vasthoudende patiënte zette hem op het spoor. ,,Een collega verwees in 1985 iemand naar mij door. Ze had heel veel last van stemmen in haar hoofd, die haar allerlei nare opdrachten gaven. Stemmen horen wordt in de psychiatrie onder de psychotische fenomenen gerangschikt. Iemand `hallucineert', en de meest gestelde diagnose is dan schizofrenie. Nu leer je in de opleiding juist dat je er vooral niet op in moet gaan omdat je het verschijnsel daarmee bevestigt en de patiënt geen dienst bewijst. Dus deed ik dat niet, het was immers gewoon een symptoom van een ziekte.

,,Maar zij vond het wel vreemd dat ik geen belangstelling toonde voor wat die stemmen haar zeiden. Ze wilde, eiste zelfs dat ik er serieus op inging.''

Het kostte Romme een jaar voordat hij zijn professionele bagage overboord kon zetten en zich openstelde. Iets dat vergemakkelijkt werd doordat de klassieke therapie in dit geval evenmin hielp. ,,In de tussentijd werd ze erg suïcidaal, die stemmen verboden haar van alles. Ik begreep niet echt wat ze beleefde, maar zag dat ze geïsoleerd raakte. Dan moet je iets verzinnen. Ik dacht: als ze praat met iemand anders die het ook heeft, ontstaat er misschien contact.''

Het werkte, en dat bracht Romme tot de volgende stap: misschien zouden andere lotgenoten meer licht op het fenomeen kunnen werpen. Hij deed een oproep via Sonja Barend, en kreeg zevenhonderd reacties.

,,Wat vooral opvallend was: daar waren nogal wat mensen bij die helemaal nooit patiënt waren geweest. Dat was nieuw, ik ging er vanuit dat het allemaal patiënten moesten zijn. Dat ook gewone mensen stemmen zouden kunnen horen was in de psychiatrie onbestaanbaar. We hebben toen uitputtend onderzocht of het om dezelfde verschijnselen ging, en dat bleek het geval.''

Over de portee van zijn ontdekking doet Romme niet al te bescheiden: ,,Een baanbrekend inzicht, basaal vernieuwend. Het betekent namelijk dat we met het verkeerde bezig zijn: het gaat niet om stemmen horen, het is de manier van omgaan met de stemmen die tot ziekte leidt. Een wezenlijk verschil.''

Zijn visie bracht hem in conflict met zijn vakbroeders. ,,Als je zegt dat niet het horen van stemmen de ziekte uitmaakt, maar het feit dat iemand macht aan die stemmen toekent, vinden de psychiaters dat jij gek bent geworden. Ze waren echt boos. Ik ondervond tegenwerking, en die voel je des te sterker als je zelf ook nog twijfelt. Ik vond dat het onderzocht moest worden. In mijn Maastrichtse vakgroep sociale psychiatrie hebben ze me van alle kanten aangeraden er niet mee door te gaan, ik kreeg moeilijk geld voor onderzoek, heb zelfs even het gevoel gehad dat het me mijn baan ging kosten.

,,Daarop heb ik de Stichting Weerklank, de organisatie van stemmenhoorders die op een eerste congres hierover in '87 was opgericht, gemobiliseerd. Toch een club van duizend mensen. Ze hebben een brief aan het bestuur van de universiteit geschreven. Daarmee is het conflict bezworen. Maar de Nederlandse psychiatrie als zodanig heeft er nog steeds moeite mee. Pas sinds kort krijg ik uitnodigingen om op congressen hierover te spreken. In het buitenland ondervinden we al langer steun, vooral in Groot-Brittannië. Zowel Britse als Amerikaanse vaktijdschriften geven ons ruimte.''

Het was niet voor het eerst dat Romme in Maastricht weerstand ontmoette. Een paar jaar eerder viel hem een vernederende behandeling ten deel toen de eerste promotie die hij als hoogleraar begeleidde, op het allerlaatste moment werd afgeblazen. Het onderwerp lag hem na aan het hart: de organisatie van het psychiatrisch ziekenhuis. Romme: ,,Het was een dubbelpromotie. De promovendi hadden onderzocht hoe de staftijd in zo'n ziekenhuis wordt besteed, wat men precies doet. Daar kwam uit dat er zo ontzettend weinig aan behandeling gebeurde dat het een schande was. De effectiviteit van de zorg was minimaal. Maar dat soort kritiek op het ziekenhuis mocht kennelijk niet, want de promotie is tegengehouden. Het boek was al gedrukt toen het college van decanen in het geweer kwam, onder aanvoering van de decaan van de faculteit der geneeskunde, Co Greep. Het zou wetenschappelijk onder de maat zijn.''

Romme acht die kritiek nog steeds ongegrond en stond daarin kennelijk niet alleen. Zowel de promotiecommissie als de Ziekenfondsraad, die het onderzoek subsidieerde, hadden hun fiat gegeven. ,,Het ging om kleinigheden, dat er bijvoorbeeld geen onderscheid naar geslacht was gemaakt. We hebben het later nog eens doorgerekend: dat bleek voor de conclusies niets uit te maken. Ik vond de tegenstand vooral politiek geïnspireerd. Er werd gezegd dat Maastricht, met zijn jonge opleiding die elders toch al zeer kritisch werd bekeken, niet ook nog eens een slecht proefschrift kon laten passeren. Onzin. Er worden helaas altijd veel spelletjes gespeeld aan de universiteit.''

Spelletjes, politieke machinaties; hij heeft er zijn leven lang een broertje dood aan gehad. Dan liever de duidelijkheid en de neiging tot het consequente waarmee zijn vader hem opvoedde. ,,Toen ik in het eerste jaar van mijn studie zat, in '52, kreeg ik een maagzweer. Ik was verloofd en wilde daar vanaf maar durfde niet. Op die manier kwam dat eruit. Ik verbrak mijn verloving. Ondanks die ziekte zou ik met een vriend naar Ibiza gaan. Mijn vader was het daar niet mee eens, en liet me op het Haarlemse station omroepen. Ik reageerde daar niet op, vertrok maar maakte een tussenstop in Parijs, bij mijn zus. Daar kreeg ik een telegram van hem. Als ik niet naar huis kwam zou mijn studietoelage worden stopgezet.

Ik ben gezwicht en teruggekeerd, maar heb hem toen wel een brief geschreven. Hij had namelijk altijd gezegd dat je tot en met de middelbare school onderhevig was aan het ouderlijk gezag, daarna niet meer. Daar hield hij zich nu niet aan, en ik wees hem op die inconsequentie. Ik heb ze voor de keuze gesteld: als hij niet ophield zich met mijn leven te bemoeien, zou ik de relatie beëindigen. Hij heeft ingebonden, gaf me gelijk en heeft het nooit meer gedaan. Daar was hij dan ook weer consequent in. In wezen was hij een warme man.

,,Ik heb mijn vaders adagium tot het mijne gemaakt: dooie vissen drijven met de stroom mee, levende vissen zwemmen er tegenin.''

    • Wammes Bos