Ik ben een folderaar

Eindelijk kreeg ik de kans te doen wat al die jongens in de buurt dagelijks doen: de brievenbus volstoppen met folders. Ik hoefde geen reclamefolders te verspreiden, maar folders waarin mensen werden opgeroepen tegen vergoeding een klus te klaren. Ik liet me overhalen om 2.500 folders te verspreiden in verschillende buurten van Amsterdam. De volgende ochtend ging ik op pad.

De jongens bij mij in de buurt zie ik nooit 's morgens hun folders verspreiden en ik weet nu waarom: het is het verkeerde tijdstip. Veel postbodes hebben de brievenbus dan net volgepropt en de folder moet tussen de post naar binnen, met als resultaat een verkreukelde folder. Dat is niet de bedoeling, had ik begrepen van de jongen die over `het folderen' gaat.

Het Groene Boekje vermeldt het nog niet, maar in de wereld van de pizzabakkers, stomerijen, cateringbedrijven, kleermakertjes en marktonderzoekbureaus, is het werkwoord `folderen' en het bijbehorende zelfstandig naamwoord `folderaar' al lang gemeengoed.

Goed folderen is niet eenvoudig. Het begint met het vinden van het geschikte foldertijdstip. De ochtend viel af, dus probeerde ik de avond. Maar na een halve straat wist ik het al: doodeng! Veel trapportalen zijn onverlicht. Sommige brievenbussen moest ik op de tast zien te vinden. De avond viel ook af. Ik besloot het restant van de folders dan maar 's middags te bezorgen — het tijdstip waarop ik meestal zelf ook mijn folders bezorgd krijg.

Kreukvrij folderen wordt ernstig belemmerd door de `borstel in de bus'. Die borstel zit erin voor een tochtvrije hal, maar voor de folderaar is hij een ramp. Nogal wat folders belandden gehavend op de deurmat. Aan het einde van het folderen was ik zelf ook gehavend. Ik had mijn knokkels flink opengehaald aan de veer in de brievenbus. De bewoner heeft wel geen klepperende brievenbus meer, maar voor de folderaar is de veer, die de klep dichtdrukt, een nog grotere ramp.

En dan is er natuurlijk nog de wind, die voortdurend probeert er met de folders vandoor te gaan. Stevig vasthouden dus, was het parool, want folders die als bladeren door de straat vliegen – dat mag niet had de jongen van het folderen verteld.

Gelukkig hoefde ik me niets aan te trekken van de `nee-nee' sticker, want om reclamefolders ging het niet. Maar dat hadden sommige bewoners niet in de gaten. `Zie je wel wat op die deur staat?' `Ja, maar dit is geen reclame'. `Dat kan best zijn, maar ik hoef die rotzooi niet.'

Zelf heb ik ook wel eens een folderaar afgebekt, maar nu maakte ik eens mee hoe dat voelt.

Het allervervelendst vond ik nog wel het gevoel voortdurend te worden betrapt — en zelf te betrappen. Ik voerde een werkje uit in het publieke domein en iedereen kon mij zien. Tegelijkertijd betrapte ik door het ruitje boven de brievenbus wildvreemden in hun doen en laten.

Ik concludeerde dat folderaars flinke jongens moeten zijn en besloot de folderaars nooit meer af te bekken.