Het virtuele vliegwiel

Het internet is ontdekt door de goegemeente. De aanstormende generatie in de politiek maakt er gebruik van, maar ook gourmands en gepensioneerden. Om de saamhorigheid te bevorderen, het clubgevoel. Het sociale en het elektronische netwerk vloeien in elkaar over.

Politiek bedrijven per e-mail

Nieuwe netwerkers bestormen de politieke partijen. D66 koos afgelopen weekeinde Lousewies van der Laan (32) tot lijsttrekker voor de Europese verkiezingen. Zij maakt deel uit van de groep Opschudding, die de partij een scherper `sociaal-liberaal' gezicht wil geven. In de Partij van de Arbeid roert zich de groep Niet Nix, met als boegbeeld het duo Lennart Booij (28) en Erik van Bruggen (30), dat kans maakt komend weekeinde het partijvoorzitterschap in de wacht te slepen. Binnen RPF en GPV is onlangs de groep Trans-Formatie opgestaan, die meent dat het fusieproces tussen beide orthodox-christelijke partijen veel te tam verloopt. De groep wil meer debat over grondslagen en een praktische vertaling daarvan voor politieke kwesties.

Zijn het drie losse groepen in vier partijen? Nee. Er is duidelijke overeenkomst: e-mail en websites. Moderne communicatiemiddelen brengen en houden nieuwe pressiegroepen bijeen. Vooral in de PvdA en D66 ziet het zittende kader met lede ogen aan hoe een groep meest jonge leden het initiatief naar zich toetrekt.

Nieuwe partijactivisten vormen een ledennetwerk dankzij computernetwerken. ,,Wij zijn een netwerkorganisatie'', zegt Edith Mastenbroek (23), een van de drie coördinatoren van Niet Nix. ,,Onze harde kern bestaat uit circa vijftig mensen, met ruim driehonderd mensen die we actief kunnen inschakelen bij allerlei klussen en tweeduizend mensen die regelmatig aan onze activiteiten meedoen.''

De communicatie verloopt voor een belangrijk deel via Internet. Mastenbroek: ,,We hebben een bestand met duizenden e-mail-adressen. Een mailtje aan een paar honderd mensen is zo gestuurd als we mensen willen laten meedenken of hulp zoeken voor het organiseren van een activiteit.''

E-mail is ook het cement van Opschudding, zo bevestigt D66'er Dennis Hesseling (29): ,,De basis van onze groep is gelegd in persoonlijke contacten, uit onvrede over de verkiezingsuitslag van vorig jaar. Mede dankzij e-mail is Opschudding vervolgens in een stroomversnelling gekomen: de groep heeft zich snel kunnen uitbreiden. Bij ons zijn mensen actief uit Brussel, uit Groningen, uit het hele land.''

Electorale aantrekkingskracht

De totstandkoming van de groep Trans-Formatie binnen RPF en GPV laat zien wat een `virtueel vliegwiel' teweeg kan brengen. Menno Rasch (27), een van de drie initiatiefnemers: ,,Zes weken geleden zeiden we tegen elkaar: de fusiegesprekken tussen RPF en GPV verlopen veel te oppervlakkig. Na wat e-mailen hadden we binnen de kortste keren dertig mensen bij elkaar in een zaaltje in Utrecht. In groepjes gaan we de komende maanden allerlei inhoudelijke stukken schrijven, die nu groeien via het uitwisselen van e-mail. Inmiddels hebben we ook een eigen website opgebouwd, die we ergens aan een gratis site hebben gehangen. We hebben geen geld en we hebben weinig tijd door drukke banen, maar niettemin hebben we zo snel al zo veel kunnen bereiken met hulp van een nieuw medium.''

Dr. G. Voerman, onderzoeker bij het Documentatiecentrum Politieke Partijen in Groningen, volgt de Internet-communicatie van partijen op de voet. Volgens hem hebben websites vooralsnog weinig electorale aantrekkingskracht: kiezers klikken niet of nauwelijks langs de sites van partijen om zichzelf een beeld of mening te vormen. ,,Maar het interne partijleven kan flink op z'n kop worden gezet met hulp van nieuwe communicatiemiddelen'', zegt Voerman. ,,Dat zie je nu in diverse partijen gebeuren.''

De activiteiten van groepen als Opschudding en Niet Nix worden vaak geduid als `jong tegen oud'. Voerman vult het beeld aan: ,,Het is een confrontatie tussen enerzijds de generatie van baby boomers die het zittende partijkader vormt. Dat zijn de democratiseerders van de jaren zestig en zeventig, die nieuwe spelregels voor het openbaar bestuur hebben vastgelegd in procedures die eindeloze vergaderingen vergen. Anderzijds zie je nu een generatie opstaan die zeer gekant is tegen die vergadercultuur. Het zijn hoog opgeleide mensen, politiek bewust en politiek betrokken, maar absoluut niet bereid om oeverloos gepraat in zaaltjes aan te horen. Men heeft er geen zin in, geen tijd voor, men vindt het saai en ouderwets.''

Weerzin tegen procedureel vergaderen verbindt de leden van de vernieuwingsbewegingen binnen PvdA, D66 en RPF/GPV. Menno Rasch van Trans-Formatie: ,,Als voorzitter van de Utrechtse RPF-kiesvereniging ben ik voortdurend bezig met bureaucratie: contributie innen en zo. Ik kan moeiteloos mijn tijd vullen met het bijwonen van vergaderingen waar zelden over politiek en vrijwel steeds over organisatorische kwesties wordt gesproken. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?''

Praktische informatie wordt uitgewisseld via e-mail, zoals de netwerkers ook hun visies ontwikkelen in discussiegroepen op Internet. Op partijbijeenkomsten komen ze daardoor beter beslagen ten ijs dan het gemiddelde partijlid, dat thuis wat drukwerk heeft doorgenomen en niet heeft deelgenomen aan de voorbereidende `interactieve communicatie'.

Zaaltjes zijn er niet om te vergaderen, maar om te debatteren, zo luidt het parool. Dennis Hesseling van Opschudding: ,,D66 moet een visiecentrum zijn, geen vergadercentrum: we willen debatten over sociaal-liberale beginselen, over thema's als asielbeleid, cultuur, vrijheid versus verantwoordelijkheid, noem maar op. Dat is wat leden interesseert, dat is waarmee we actieve leden en uiteindelijk kiezers kunnen trekken.''

In navolging van oud-partijvoorzitter Felix Rottenberg roept Niet Nix dat PvdA-leden actiever bij het partijleven betrokken moeten woorden. Edith Mastenbroek: ,,Je moet in de partij je eigen belangstelling kunnen volgen en je eigen deskundigheid kwijt kunnen. Er moet een databank worden opgezet van leden die je kunt raadplegen of inzetten voor alle mogelijke thema's die je kunt bedenken. Waarom niet de leden die bij politie en justitie werken actief betrekken bij het veiligheidsdebat? Goed idee, zegt de partijleiding. Maar het gebeurt amper.''

Vervreemding

Dr. J. van Dijk, onderzoeker bij de vakgroep media en communicatie in Utrecht, auteur van het boek `De netwerkmaatschappij' (1997), ziet binnen politieke partijen - zoals in de hele samenleving - een kloof groeien tussen `wired' en `not-wired'. Maar eenvoudig te boeken winst voor een nieuwe generatie van `great communicators' ziet hij niet zo snel in het verschiet liggen. ,,Nieuwe ideeën zijn tegenwoordig snel te verspreiden en nieuwe posities zijn mogelijk snel te veroveren. Maar wat is het effect van al deze vernieuwingsdrang op de langere termijn? Uiteindelijk zullen die nieuwe mensen aan de slag moeten in de partijen zoals ze zijn: met al die oudere leden die niet zo snel en modern zijn. Dan kan de partij zich als een loden last tegen de vernieuwers keren. Snelle vernieuwing kan leiden tot conflicten en vervreemding van de traditionele achterban. Ik vraag me af of die nieuwe actieve leden het geduld kunnen opbrengen om hun partijen stap voor stap te hervormen. Of zitten ze dan alweer bij een ander clubje te e-mailen?''

Het is dit gevaar, van spanning tussen `jonge Turken' en oude achterban, dat CDA'er Niels van der Stappen (35) scherp voor zich ziet. Hij is actief binnen de groep Confrontatie met de Toekomst, de pendant binnen het CDA van Niet Nix, Opschudding en Trans-Formatie. Deze vernieuwingsgezinde groep CDA'ers bestaat sinds ruim drie jaar en is tot nu toe bescheiden geweest in het zoeken van de publiciteit. Een website van Confrontatie zal dezer dagen voor het eerst op Internet verschijnen. Van een echt e-mail-circuit is hier nog geen sprake. Van der Stappen: ,,Onze groep bestaat nu uit zo'n 350 mensen en ik denk dat omstreeks eenderde daarvan via e-mail bereikbaar is. Ik denk dat de nieuwe partijvoorzitter tot taak heeft het gebruik van Internet binnen de partij als geheel te stimuleren. We moeten oppassen dat we mensen buiten sluiten die nog niet voor de computer zijn gewonnen.''

Jan met de pet op het net

Ik heb vandaag het kapucijner potje gemaakt'', mailt Petra van Voorst op Smulweb, een site voor iedereen die van lekker en gezond eten houdt. ,,Zelfs mijn man, die niet van kapucijners houdt, heeft ervan gesmuld.''

,,Ik vond het wat te vet'', klaagt een andere lekkerbek. ,,en het zout droop van mijn kin.''

De grote massa heeft de weg naar de virtuele gemeenschap ontdekt. In plaats van duiven te fokken, modelvliegtuigjes te bouwen of kruiswoordraadsels op te lossen, kijken ze op elkaars homepage naar recepten (op Smulweb) of spelen een thrillerachtig spel, zoals op de site van de NCRV. Ze zoeken gelijkgestemden op, maken plannen, roddelen, handelen, maken ruzie en worden verliefd. Leden van een virtuele gemeenschap doen zo ongeveer alles wat ook in de werkelijke wereld gebeurt – maar dan via het beeldscherm.

Virtuele gemeenschappen zijn oorspronkelijk opgezet door de deelnemers zelf. De Amerikaanse virtual community-specialist Howard Rheingold onderstreept de toegankelijkheid van zijn digitale thuisbasis The Well. Deze beroemde Amerikaanse gemeenschap bestaat al sinds 1985. De circa tienduizend deelnemers zijn vooral afkomstig uit de alternatieve scene in San Francisco. ,,Muesli-etende utopisten, zonne-energie-enthousiastelingen, milieu- en computerfreaks en sociale activisten'', zo omschrijft Rheingold zijn medeleden op zijn persoonlijke site.

Nu, meer dan twintig jaar later, zetten ook ouderen voet aan wal op Internet. ,,Als ik zeg dat ik aan het e-mailen ben, zeggen jongeren: wat doe jij op het net? Heb je dat nodig? Waarom zouden wij ouderen dat niet nodig hebben'', zegt een verontwaardigde deelnemer van Seniorweb. Het Seniorweb, een initiatief van een aantal ouderenorganisaties, is een bijzondere site, alleen al wegens de mogelijkheid om te kiezen tussen gewone en grote letters. Op de rustig vormgegeven, zeegroene website van Seniorweb discussiëren circa zeshonderd vijftigplussers met elkaar, zoeken ze vroegere vrienden of een tweedehands auto. Dagelijks bezoeken zo'n vijfhonderd mensen deze site.

Nadat zij het online-aanmeldformulier hebben ingevuld en opgestuurd, kunnen de deelnemers berichten ontvangen. De site bevat een keur aan discussiegroepen: van stamboomonderzoek, tuinieren tot zinloos geweld, ontkerkelijking, milieu en het klonen van dieren. In een groep mailt iemand elke dag een goedemorgenbriefje naar zijn groepsgenoten. Een andere groep mailde een depressief medelid er weer bovenop.

Vooral ouderen die slecht ter been zijn, kunnen via e-mail eenvoudig hun sociale contacten onderhouden. ,,Veel senioren doen mee omdat een van hun kinderen in het buitenland woont. Zo woont de gastvrouw van onze kookgroep in Canada en veel oudere Nederlanders loggen vanuit het buitenland in op Seniorweb'', vertelt Christine Ruiter, directeur van de stichting Seniorweb.

Zo gemoedelijk als het toegaat op Seniorweb, zo hectisch is het op de NCRV-site. Met het rollenspel Het rechte pad probeert deze publieke omroep haar leden, maar ook andere geïnteresseerden, bij de NCRV en haar gedachtegoed te betrekken. Het rechte pad sleurt de, opmerkelijk genoeg veelal jonge, deelnemers drie weken lang mee in een spannend avontuur. Het Rechte Pad is gebaseerd op de vorig jaar uitgezonden tiendelige dramaserie Zebra waarin mensen ongemerkt of ongewild afglijden tot misdadig gedrag. Iedere deelnemer kiest een personage waarmee het spel wordt gespeeld. De speler kiest uit een aantal uiterlijke kenmerken, seksuele voorkeur – van belang voor het verloop van het verhaal – en karaktereigenschappen.

Klaas Kuitenbrouwer besteedt gemiddeld twintig minuten per dag aan het spel en heeft nauwelijks contact met andere deelnemers. Het succes van Het rechte pad zit in de betrokkenheid van de deelnemers bij het spel. Elke deelnemer ontvangt persoonlijk geadresseerde e-mail in zijn postbus en slim aan elkaar gekoppelde databases reageren op beslissingen en gedrag van de deelnemer. Het spel draait uiteindelijk om het maken van moreel verantwoorde keuzes: wat is fatsoen, liefde, vertrouwen en respect?

De NCRV wil, geïnspireerd door het onverwachte succes van de site, meer virtuele groepen opzetten. Gedacht wordt aan discussieplatforms voor levensbeschouwelijke onderwerpen en de nationale nieuwsquiz. Het creëren van digitale gemeenschapszin kan een manier zijn om leden te binden. Daarom profileert de omroep zich met thema's die passen bij zijn identiteit, meldt Pieter van der Ploeg, directeur nieuwe media van de NCRV.

Volgens publiciste Marianne van den Boomen, werkend aan een boek over virtuele gemeenschappen, drijven de niet-commerciële gemeenschappen op het enthousiasme van een of twee mensen. Als deze harde kern ermee ophoudt, stort zo'n digitale groep vaak in elkaar.

Als Van den Boomen 'savonds laat een vraag post op een mailinglijst of in een nieuwsgroep, dan logt ze de volgende ochtend snel weer in om de reacties te lezen. Daarom vindt ze een virtuele gemeenschap geen abstract gegeven. ,,Als deelnemer kun je je ei kwijt, een probleem oplossen of gewoon een beetje gluren en niet meedoen. Zoals je mensen bekijkt vanaf een terrasje of een gesprek afluistert in de trein.''

Pasta en wok

Het woord `commercie' was in de beginjaren van de virtuele gemeenschap een vies woord. Toch wordt de virtuele gemeenschap momenteel gekopieerd door overheid en bedrijfsleven die ook digitaal een graantje willen meepikken. De enkele interactieve sites uit de beginperiode van het www trokken maar weinig bezoekers. Om mensen aan hun site te binden, introduceerden pr- en marketingbureaus het verschijnsel digitale gemeenschap. Een goed voorbeeld van een community-site met een marketinginslag is Smulweb.

Smulweb is een creatie van het Eindhovense bureau Online Marketing (OLM). De voor- en afkeuren van Smulwebbewoners en hun gedrag op culinair gebied worden nauwkeurig geregistreerd. Na vijf maanden op het net beschikt Smulweb over bijna vierduizend recepten, trekt de site dagelijks 1.200 bezoekers en hebben bijna 8.500 mensen een eigen homepage. Een gemiddeld bezoek aan Smulweb duurt circa veertig minuten, de gemiddelde leeftijd ligt boven de 35 jaar. De bewoners van Smulweb krijgen geregeld de Smulkrant gemaild, inclusief productaanbiedingen van pasta tot wok.

Door de bank genomen is tien tot vijftien procent van de deelnemers van een virtuele gemeenschap echt actief. Bij OLM schatten ze dit percentage hoger. Met dertig– tot veertigduizend leden hoopt OLM-directeur Rob Oostveen, over een jaar een nog levendigere Smulwebgemeenschap te hebben. Zijn inkomsten komen voornamelijk uit advertenties en marketingadvies.

Elke bezoeker geeft zijn eet- en drinkvoorkeuren op. Daarna krijgt de nieuwkomer een homepage. Deze fungeert als visitekaartje maar ook als opbergmap voor recepten en artikelen. Petra van Voorst die onder de naam Teddy op Smulweb opereert, hecht aan de anonimiteit van het kookgezelschap. ,,Ik ben geen clubmens en zal daarom nooit bij een kookclub gaan. Dit kan ik vanuit huis doen, gewoon wanneer ik wil.'' Via het gastenboek leren de Smulwebbers elkaar kennen. Van Voorst: ,,In mails vertel ik makkelijker over van alles en nog wat. Je kent elkaar toch niet.''

De virtuele gemeenschap is oorspronkelijk opgezet door activisten en ontwikkelingswerkers die elektronische uitwisselingen organiseerden over de rechten van de mens. Inmiddels zijn er digitale gemeenschappen voor boeken, media (The New York Times heeft een eigen internetclub), mode en zelfs augurken. Van den Boomen vraagt zich af of de introductie van virtuele gemeenschappen door het bedrijfsleven werkt. ,,Marketeers leren op een sociale manier, vanuit de consument, te denken. Dat is gunstig. Het is grappig dat het bedrijfsleven iets overneemt dat in activisten-kringen is ontwikkeld. Meestal gaat het andersom. Het is waarschijnlijk voor het eerst in de geschiedenis dat die twee groepen hetzelfde concept hanteren.''