Fiscaliteit klaar voor polygamie

Wat het huwelijk betreft is geen taboe meer heilig. Als exclusieve verbintenis tussen één man en één vrouw heeft het zijn langste tijd al gehad. Althans voor wat betreft de ongelijkheid van geslacht. De fiscaliteit was daar al lang op ingesteld. Onlangs heeft de directeur van De Balie in Amsterdam, Andrée van Es, in een door De Balie uitgegeven essay, de aanval ingezet op het laatste taboe: het huwelijk als verbintenis van slechts twee personen. Het op 1 februari in deze krant geportretteerde oud-Kamerlid voor GroenLinks vraagt zich af waarom we in Nederland geen polygamie toestaan. Van Es is een voorloopster; de samenleving is daar beslist niet aan toe. Onze hoogste rechter is ook in de frontlinie te vinden. De Hoge Raad heeft ruim drie jaar geleden uitgemaakt dat de tegenstribbelende Belastingdienst, ook al is het tegen wil en dank, soms als ondersteuner van een polygame relatie moet optreden.

Huwelijksverhoudingen tussen drie of meer personen kent onze burgerlijke wetgeving niet, terwijl de strafwet ze uitdrukkelijk verbiedt en strafbaar stelt. Maar de wereld is groter. Elders heeft men er niet de minste moeite mee dat een man met verscheidene vrouwen trouwt. Op grond van het al twintig jaar geleden gesloten Haagse Huwelijksverdrag moeten zulke in het buitenland geldig aangegane polygame huwelijken in Nederland in beginsel worden erkend.

Dat betekent niet dat er geen belemmeringen zijn voor buitenlandse bigamisten. Zo mocht een Marokkaan die overeenkomstig islamitisch recht met twee vrouwen gehuwd was, van de Nederlandse autoriteiten in ons land met slechts één vrouw samenleven. Zijn andere vrouw met hun kinderen mocht het land niet in. De man nam zijn 50-jarige echtgenote mee naar Nederland. Dat was wel zo praktisch want zij kon hier een eigen inkomen verdienen; zijn 32-jarige vrouw bleef in Marokko achter met de status van wettige echtgenote, zij het zonder eigen inkomen aldaar. Bij beiden had de man kinderen. Tijdens zijn vakanties deelde hij het huwelijksbed met zijn jongere vrouw in Marokko, de rest van de tijd was hij aan de zijde van zijn Nederlandse vrouw te vinden.

Deze constructie had ook een financiële zijde: overeenkomstig zijn islamitische plicht, acht de man zich verantwoordelijk voor het onderhouden van beide vrouwen en alle kinderen. Daartoe stuurde hij geregeld geld naar zijn broer in Marokko die de taak op zich had genomen de vrouw daar te onderhouden. Om de kosten van een dergelijke vorm van uitgebreid huwelijksleven te beperken, wilde de Marokkaan het geld dat hij aan zijn in Marokko verblijvende vrouw besteedde, opvoeren als aftrekpost, in de vorm van alimentatie.

De inspecteur in Arnhem voelde er niets voor de Nederlandse schatkist op die manier te laten meebetalen aan het uitbundige huwelijksleven van de man. Hij weigerde de betalingen naar Marokko als aftrekbare alimentatie te beschouwen. Een opmerkelijk detail in dit geheel was dat de man zelf geen inkomen verdiende, althans minder dan de vrouw waarmee hij in Nederland samenwoonde. Onze belastingwetgeving stelt dan de voor de man moeilijk te verteren eis dat alle aftrekposten inclusief de opgevoerde alimentatie fiscaal met de vrouw worden afgewikkeld en verrekend. Daardoor was zij degene die aan de belastinginspecteur in Arnhem moest vragen om de kosten voor haar mede-vrouw in Marokko als aftrekpost te erkennen.

Toen de inspecteur daar niets voor bleek te voelen, moest de Arnhemse belastingrechter mr. Mathijssen er aan te pas komen om een uitweg in dit geschil te vinden. Zijn oplossing van het probleem was het ontkennen dat er sprake was van alimentatie. Daar kan alleen sprake van zijn als een man duurzaam gescheiden leeft van zijn (ex-)vrouw. In de ogen van de rechter leeft de Marokkaan niet duurzaam gescheiden van zijn aldaar wonende vrouw. Doordat de vrouw vanwege haar door het Haagse ministerie van Justitie niet erkende status als tweede vrouw geen toegang tot Nederland kreeg, kon hij haar wat minder vaak zien maar dat was hooguit een praktische belemmering.

Geen scheiding en dus geen alimentatie. Wie er meerdere vrouwen op na wil houden, moet de kosten van die luxe altijd zelf dragen, zo meent de Arnhemse rechter. De Hoge Raad is er nog niet uit. Het kan volgens hem best zo zijn dat er juridisch sprake is van een duurzaam gescheiden leven van de man en zijn in Marokko wonende tweede vrouw en dus van (aftrekbare) alimentatie. De Raad neemt een feitelijk nogal ongerijmd gevolg op de koop toe. De Nederlandse wet kent maar één huwelijkspartner tegelijk en de fiscus accepteert niet dat de kosten van die relatie op hem worden verhaald. Maar als men met de in ons recht onbestaanbare figuur van een tweede of derde echtgenote aankomt, zet de Raad opeens de deur op een kier.

Misschien heeft de Hoge Raad zijn benadering provocerend bedoeld als een aanmoediging aan staatssecretaris Vermeend (Financiën) om snel te kijken naar de ontoereikend gebleken wetsbepaling. De staatssecretaris heeft de traditie hoog te houden dat de belastingwetgeving al lang is aangepast voordat de wetgever met nieuwe huwelijksvarianten op de proppen komt. Waarschijnlijk loopt het met de wettelijke erkenning van bigamie niet zo'n vaart. Maar een wetgever die na dit oordeel van de Hoge Raad niets doet, moet niet mopperen als buitenlanders die in hun land rechtmatig met verscheidene vrouwen zijn getrouwd, de kosten van dat vertakte huwelijksleven zo veel mogelijk op de Nederlandse gemeenschap willen verhalen. Overigens geldt diezelfde mogelijkheid theoretisch ook voor vrouwen die er op dezelfde manier meerdere mannen op nahouden. Die praktijk heeft op zijn zachtst gezegd nergens een grote vlucht genomen, hoewel Van Es uit gelijkheidsoogpunt deze optie voor Nederland wel uitdrukkelijk bepleit.