Dansen, lachen, zingen, drinken

Met het verschijnen van het tiende deel is de uitgave van de Franse fabliaux compleet. Deze korte vertellingen op rijm werden in de Middeleeuwen voorgedragen door rondreizende jongleurs. Sommige waren serieus, andere dreven de spot met de priesterlijke kuisheid.

ONLANGS VERSCHEEN het tiende en laatste deel van de Nouveau Recueil Complet des Fabliaux (NRCF). Fabliaux zijn korte, komische versvertellingen in het Oudfrans, die van de twaalfde tot de veertiende eeuw de ronde deden in Noord-Frankrijk en Zuid-België. Meer dan vijfentwintig jaar werkten Nederlandse mediaevisten in wisselend verband aan de volledige uitgave van de Franse fabliaux. Begonnen als samenwerkingsverband, waarin de twee Amsterdamse universiteiten en de Rijksuniversiteit Groningen participeerden, werd het project in het begin van de jaren tachtig een Groningse aangelegenheid. Het was prof.dr. Willem Noomen (RUG), één van de onderzoekers van het eerste uur, die onlangs het laatste deel presenteerde van deze indrukwekkende, prachtig gebonden reeks - tien lijvige delen van in totaal bijna vijfduizend bladzijden.

Voor het eerst zijn alle fabliaux uniform en op moderne wijze toegankelijk gemaakt voor wetenschappelijk onderzoek. Van Nederlandse zijde werd 1,6 miljoen gulden aan het onderzoek en de publicatie van de editie bijgedragen, terwijl naast ZWO ook haar Franse collega, het CNRS, subsidie verleende voor enkele delen van de reeks.

Opmerkelijk is dat juist Nederlandse onderzoekers deze unieke editie van Franse fabliaux hebben samengesteld. Bij aanvang van het project, in de jaren zeventig, kwam samenwerking met Franse universiteiten niet van de grond. Inmiddels is de reeks in de internationale romanistiek vermaard als een standaardwerk van Nederlandse bodem. Onderzoekers kunnen de delen niet alleen in Europese, maar ook in Amerikaanse en Japanse (universiteits-) bibliotheken consulteren.

De tien delen van de NCRF bevatten 127 fabliaux. Het zijn over het algemeen korte, kluchtige vertellingen op rijm, die in de Middeleeuwen door rondreizende jongleurs werden verzonnen of van anderen werden overgenomen en die ook latere literatoren hebben geïnspireerd. Geoffrey Chaucer, de Engelse auteur van de Canterbury-verhalen, was bijvoorbeeld bekend met de fabliaux en de Italiaan Boccaccio verwerkte ze in zijn Decamerone.

De Franse jongleurs (latijn: ioculator = grappenmaker) hadden van vermaak hun beroep gemaakt. De huidige betekenis van jongleur (evenwichtskunstenaar) verwijst slechts naar een klein deel van wat eens een soortnaam was voor beoefenaars van poëzie en muziek. Als kunstemakers en kunstenaars waren de jongleurs van alle markten thuis: ze maakten muziek op jaarmarkten, speelden toneel in burchten en kastelen of vermaakten het publiek met acrobatiek, koordlopen en vuurspuwen. Anderen waren als minstreel verbonden aan een vorstelijk hof. Op bruiloften en partijen verdienden jongleurs hun brood met het zingen van liedjes of met het vertellen van verhalen.

De Zwitserse mediaevist Jean Rychner definieerde de fabliau dan ook als `des contes à savourer après le repas' (verhalen die na de maaltijd genoten moeten worden). De Fransman Félix Lecoy beschouwde de fabliau als de eerste literaire vorm van folkloristische thema's. Volgens Noomen, die samen met zijn inmiddels overleden collega's Lein Geschiere en Nico van den Boogaard in de jaren zeventig het initiatief nam voor de NRCF-uitgave, moeten de fabliaux gezien worden als amusement, als gebruiksliteratuur. ``Ik heb niet de indruk dat de fabliau behoorde tot een bijzonder hoogstaande vorm van kunst'', zegt de hoogleraar die in 1984 met emeritaat ging om zijn magnum opus te kunnen voltooien, met gevoel voor understatement. ``Je ziet het al aan de verzen. De verhaaltjes moesten rijmen om ze gemakkelijker te kunnen onthouden. De meeste zijn goed verteld, maar literaire pretenties zijn zeldzaam. Ernst van Altena (die een aantal fabliaux op virtuoze wijze in het Nederlands vertaalde), vergeleek ze eens met de liedjes van Jacques Brel. Daarmee sloeg hij volgens mij de spijker op zijn kop.''

zedenschetsen

Als liedjeszanger en verhalenverteller beschikte de jongleur waarschijnlijk over een repertoire van verhalen, die konden variëren van serieuze, hoofse poëzie en ridderepiek, hagiografieën en lofdichten tot komische, soms scabreuze fabliaux. De fabliaux moesten de mensen aan het lachen maken en daarvoor werden soms weinig subtiele middelen aangewend. Priesterlijke kuisheid is er vaak ver te zoeken en een overspelige vrouw lijkt eerder regel dan uitzondering. ``Als je feministe bent, valt er in de fabliaux maar weinig te lachen'', merkt Noomen op. ``Het zijn zedenschetsen, soms met een moraal aan het eind. Het komisch effect stoelt op een storing in de communicatie. Satirisch zijn de fabliaux niet'', aldus Noomen.

De fabliaux uit deel X van de NRCF zijn nog redelijk onschuldig in vergelijking met de keuze die Ernst van Altena maakte voor zijn bloemlezing `De jongeman met twaalf vrouwen'. In `Les braies le priestre' trekt de priester na een nachtelijk bezoek aan een slagersvrouw per ongeluk de broek van haar echtgenoot aan (die aan de andere kant van de vrouw in bed ligt), waarin hij tot zijn plezier een goedgevulde beurs aantreft. De slager, die in zijn zakken een priesterszegel ontdekt, wordt op de jaarmarkt waar hij vee wilde kopen, de horens opgezet. In `Les trois Chanoinesses de Couloigne' richten drie stiftsdames orgieën aan in het klooster waarover zij de scepter zwaaien en in `La Nonette' chanteert de jongste novice de abdis met haar nachtelijk herenbezoek - om zelf ook haar minnaars te mogen ontvangen.

Niet alleen maakten jongleurs de kerkelijke dienaren belachelijk, ook zouden zij mensen tot het kwaad verleiden en hen aanzetten tot onbetamelijk gedrag: dansen, lachen, zingen, drinken. Voor de kerk waren de jongleurs dan ook regelrechte handlangers van Satan. Kerk noch hemelrijk stond voor hen open. Naarmate er meer godsdienaren de kerk verlieten om al reizend de vrije levenswijze van de jongleurs na te volgen, werd de dreiging met hel en verdoemenis steeds luider.

ANONIEM

Hoewel van enkele jongleurs bekend is dat zij een aantal fabliaux schreven (Jean Bodel, Gautier Le Leu en Rutebeuf), zijn de meeste verhalen anoniem. In de NRCF wordt bij iedere tekst vermeld of men weet van wiens hand hij is. Ook wordt een fabliau bij benadering gelocaliseerd en gedateerd. Zo wordt een vijftal fabliaux uit deel X toegeschreven aan Jean de Condé, van wie bekend is dat hij minstreel was aan het Henegouwse hof en beschermeling van Jeanne de Valois, die hem tussen 1325 en 1333 opdrachten verleende. Andere fabliaux uit deel X worden toegeschreven aan Watriquet de Couvin, van wie men alleen weet dat hij minstreel was in Chimay (ten zuiden van Brussel) en Châtillon (Midden-Frankrijk). Van anderen kent men niet meer dan hun naam (Jakes de Baisiu, Douins) uit de beginregels van een fabliau.

In het algemeen hebben fabliaux een proloog en een epiloog van enkele regels. ``Je kunt je afvragen of die er altijd al aan zaten of dat ze er door de voordrachtkunstenaar aan vast zijn geplakt'', zegt Noomen. ``Als de proloog door rijm verbonden is met het eerste vers van het verhaal, is het aannemelijk dat de auteur ook de proloog heeft geschreven. Soms vind je in verschillende handschriften dezelfde tekst, maar met andere prologen. Dan blijft het speculeren wie de auteur was.''

Hoe de fabliaux in de loop der eeuwen zijn overgeleverd, is niet bekend. ``In de bibliotheken van Parijs, Bern, Berlijn, Pavia, Rome en Nottingham bevinden zich belangrijke manuscripten die stammen uit de dertiende en begin veertiende eeuw'', vertelt Noomen. ``Sommige bevatten een hele verzameling teksten, serieuze poëzie maar ook fabliaux, waardoor je zou kunnen veronderstellen dat het om het repertoire van een jongleur gaat. Je zou je kunnen voorstellen dat een minstreel in dienst van een vorst een bibliotheek aanlegt. Maar er is nauwelijks onderzoek gedaan naar wie nu precies zo'n handschrift verzamelde en naar een geschreven traditie die daar mogelijk aan vooraf ging.'' In sommige handschriften heeft men in latere eeuwen getracht vieze woorden te schrappen, door ze weg te krabben. ``Soms kun je zo'n krabsel met ultraviolet licht of met infrarood foto's reconstrueren. Een aantal woorden hebben we zo terug kunnen vinden. Soms bleken die heel anders te zijn dan vorige uitgevers verondersteld hadden. Dat kun je dan grinnikend in een noot vermelden. Eén van mijn collega's, Jaap van Os, is gepromoveerd op een tot dan toe onbekend vijftiende-eeuws handschrift (manuscrit Cologny Bodmer 113) dat hij in verband heeft gebracht met een manuscript uit de Bibliothèque Nationale in Parijs, waarin flink was geknoeid. Hij heeft veel van dit soort technieken toegepast, echt millimeterwerk.''

DIPLOMATISCH

In de NRCF zijn van alle fabliaux een zogenoemde diplomatische en een kritische tekst opgenomen. In de diplomatische tekst worden de letters en de interpunctie uit het oorspronkelijke handschrift nauwkeurig weergegeven. ``Als er in het handschrift een punt stond, staat er een punt. Hetzelfde geldt voor hoofdletters en afkortingen. Wel hebben we een aantal standaardverbeteringen aangebracht. Als een kopiist bijvoorbeeld per ongeluk een c schreef voor een t, dan hebben wij dat door middel van een sterretje aangegeven en uitgelegd in de leçon du manuscrit onderaan de diplomatische tekst.''

Vaak wordt de diplomatische tekst gezien als het meest waardevolle deel van de NRCF. ``Alle eigenaardigheden uit de handschriften zijn precies overgenomen, dus mensen die onderzoek doen naar de fabliaux, literatuurhistorici of linguïsten die dialecten bestuderen, krijgen op die manier authentiek materiaal'', bevestigt Noomen. In de kritische tekst zijn alle noten en correcties uit de diplomatische tekst verwerkt. ``De kritische tekst is de manier waarop ik die fabliau lees en begrijp, mijn persoonlijke interpretatie en op die basis heb ik ook de interpunctie aangebracht'', aldus Noomen.

Met de publicatie van het tiende deel van de NRCF sluit Noomen een kwart eeuw onderzoek af. Toch beschouwt hij de NRCF niet als zijn levenswerk: ``De facto is het dat wel, maar zo voel ik het niet. Gewoon fijn dat het er is. Tegenwoordig zou zo'n groot project niet meer van de grond komen. Mensen worden te veel opgejaagd door output-rating om nog rustig te kunnen werken. Dat zou wel eens een reden kunnen zijn waarom in Frankrijk zelden dit soort grote, langdurige projecten tot stand komt. Het leuke van filologisch werk is dat het overzichtelijk blijft. De problemen die je tegenkomt zijn van taalkundige of inhoudelijke aard. Na dagen of na weken nadenken, komt er dan een heel klein nootje uit. Als je het ene probleem hebt opgelost, betekent dat nog niet dat je ook het volgende probleem kunt oplossen. Het blijft constant speurwerk.''

Trubert

Het begin van de fabliau Trubert, die

sommigen beschouwen als een jongleursvariant op het verhaal van Tijl Uilenspiegel.

Van Douins, die in de fabliau als auteur wordt genoemd, is verder niets bekend is.

Gedateerd rond 1270.

En fabliaus doit fables avoir:

Si a il, ce sachiez de voir!

Por ce est fabliaus apelez

Que de faubles est aünez.

Douins, qui ce fabliau rima,

Tesmoigne que il avint ja

En la forest de Pontalie

Ot une fame hebergie.

Vueve fame fu, sanz seigneur;

Molt feisoit petit de labor.

Une fille et un fil avoit:

En ce lieu norri les avoit,

S'estoient non sachant et nice.

Norri orent une genice,

Si l'avoient molt bien peüe

De foin, de blé, d'erbe menuë;

Tant la norrirent que fu granz.

Quant ce vint au chief de deus anz,

Si s'est li vallez porpensez:

`Mere', fet il, `vos ne savez:

Alons vendre nostre genice,

S'avra ma suer une pelice,

Que bien veez qu'elle est trop nue.

Tant com sera si mal vestue

Ne troverons qui la demant.'

(Uit: Nouveau Recueil Complet des

Fabliaux X, texte critique)

Fabels horen in fabliaux

en daarom noemen we die zo.

Omdat hierin veel fabels staan

is dit een fabliau komaan!

Douins heeft dit op rijm gezet

en hij zegt u dat ooit in het

donkere woud van Pontarlie

een arme weduwvrouw was, die

geen man had die nog voor haar werkte,

maar zelf hard werk ook 't liefst beperkte.

Een dochter en een zoon had zij

opgevoed in die negorij

en dus onnozel, ondoordacht.

Een vaars hadden ze grootgebracht

en 't had het beest zeer goed gedaan,

dat hooi, dat kruidenvoer, dat graan.

En toen het dier volwassen was,

na twee jaar in het malse gras,

toen kreeg de zoon een goed idee:

`Moeder',' sprak hij, `ik moet dit stuk vee

nu op het marktplein gaan verkopen,

dan kan m'n zus in 'n pelsjas lopen,

u ziet toch zelf, ze loopt in todden

en is halfbloot in al die vodden,

zo vindt ze nooit een echtgenoot!'

(Vertaling: Ernst van Altena.

Uit: De jongeman met twaalf vrouwen,

Ambo, 1997)