CHOMSKY 5

Hendrik Spierings artikel `Wonderlijke waren woorden wezenloos?' (W&O, 23 januari) beschrijft hoe het er voorstaat met de Chomskyaanse taalwetenschap. Noam Chomsky heeft buitengewoon veel invloed gehad buiten zijn vakgebied. Dat boezemt respect in, maar vaak ook frustratie. De meeste van Chomsky's Amerikaanse tijdgenoten lieten het bij het beschrijven van zinnen en zinsstructuren. Chomsky en zijn leermeester (Zellig Harris) zochten theorie. Voor Chomsky moest de theorie niet alleen beschrijvingen van zinnen weergeven. Het moest een bio-psychologische theorie zijn, die echt zou verklaren hoe mensen hun natuurlijke taal kunnen leren en gebruiken. Chomsky zocht daarvoor naar een relatief nativistische, biologische theorie.

Genoeg stof voor discussie. In hoeverre is het leren van `taal' aangeboren? In hoeverre is taal een biologisch object? In hoeverre is het mogelijk om over taal te theoretiseren? Hendrik Spiering wijst op de zeldzame onderzoekers die neurologisch proberen aan te tonen dat het leren van `taal' geheel niet `aangeboren' is. Hij negeert het feit dat NRC Handelsblad niet door de dieren in Artis gelezen wordt. Hij negeert ook de filosofische kritieken dat taal geen biologisch object kan zijn (een `naturalistische drogrede'); men wil hier kennelijk langs de complexe conceptuele voetangels heen lopen. Spiering gebruikt de autoriteit van professor Scha van de Universiteit van Amsterdam, een kleurrijk figuur die inspiratie zoekt in de (artistieke) tegencultuur van de jaren zestig. Scha wil daarom niet in taaltheorie, `systeem', geloven. Hij meent dat beschrijvingen van zinnen en hun herkenning zouden moeten volstaan. Dat is voor Hendrik Spiering de laatste stand van zaken in de taalwetenschap: de linguïstiek is dood, maar weet het nog niet. Zou het echt?