CHOMSKY 4

Als enige radicale professor van het prestigieuze MIT heeft Chomsky jarenlang de kranten gehaald vanwege zijn politieke activiteiten. Hij verdient mijn dankbaarheid, al was het maar om de manier waarop hij tien jaar geleden Frits Bolkenstein heeft behandeld. Desalniettemin beschouw ik zijn taalkundige daden als minder glorieus. Het feit dat `nog geen vijftig van de [2002] felicitatie-inzenders [voor zijn 70ste verjaardig] verwijzen naar zijn taalkundige werk', zegt al voldoende. Veel taalkundigen hebben schoon genoeg van Chomsky's pretentie de waarheid a priori te kennen, en van zijn minachting voor de feiten (door hemzelf Galileaanse Methode genoemd).

Het is een opluchting om te zien hoe nu ook de media, na het fenomeen Chomsky gecreëerd te hebben, zich beginnen te distantiëren (zie Hendrik Spierings artikel `Wonderlijke waren woorden wezenloos?', W&O 23 januari en de ingezonden brieven daarna). Een paar jaar geleden was dit nog niet zo. Tijdens het 25-jarig jubileum van de vakgroep Algemene Taalwetenschap van de Universiteit van Amsterdam, in 1996, was driekwart van de aanwezigen het eens met de stelling `De Generatieve Taalwetenschap zit op een dood spoor'.

Chomsky en de zijnen hebben een pseudowetenschap (in de Popperiaanse zin) opgericht, die alleen bevestigd kan worden. Zoals uit het interview met Eddy Ruys blijkt `weten' ze gewoon dat Universele Grammatica bestaat. De vraag is: Hoe weten zij dat? Waarom houden ze een min of meer plausibele hypothese voor een onomstotelijke waarheid? Waarom zijn ze niet nieuwsgierig naar de uitslag van een toetsing van deze hypothese? Omdat Eddy Ruys anders ontslag neemt? Deze devotie is zeker ontroerend, maar wie heeft er iets aan?.

Taalkundigen zijn er nooit mee opgehouden deze vragen aan Chomsky en de zijnen te stellen, maar het indrukwekkende sociologische succes van de enige taalkundige die met regelmaat op de televisie verschijnt, heeft toch altijd voor een groot aantal volgelingen gezorgd. Met name in Nederland. Zijn aanhangers zijn trouw aan de persoon Chomsky, en niet zozeer aan zijn taalkundige theorieën, die immers continu veranderen. Het begrip Universele Grammatica is inderdaad volledig uitgehold, zoals Hendrik Spiering opmerkt. De laatste definitie die Chomsky gegeven heeft, luidt: `UG is a theory of the initial state of the mind (So).' Ondanks mijn strenge Generatief Taalkundige opvoeding aan het Holland Institute of Generative Linguistics (HIL) begrijp ik niet wat deze pseudowiskundige definitie betekent. Kan Ruys dit misschien uitleggen?