Alleenstaande kinderen

Neemt de jeugdcriminaliteit toe? Werden incestervaringen van kinderen twintig of dertig jaar niet geloofd of was er toen minder incest? In hoeverre veranderen in de loop van de tijd de problemen van de gezinnen die met de kinderbescherming te maken krijgen? Neemt het aantal maatregelen van justitiële kinderbescherming af of juist toe? Deze laatste vraag is eenvoudig te beantwoorden, omdat het aantal maatregelen van jaar tot jaar netjes bijgehouden wordt. Op de andere vragen is het veel moeilijker een antwoord te geven. Dat geldt zelfs voor de jeugdcriminaliteit: de meeste mensen vermoeden wel dat die sterk gestegen is, maar de cijfers zijn toch niet zo gemakkelijk te interpreteren. De opvattingen over wat als criminaliteit wordt beschouwd zijn in de loop van de tijd behoorlijk veranderd, het opsporingsbeleid van de politie is eveneens sterk gewijzigd en dat ook de bereidheid van mensen om aangifte te doen is geen vast gegeven.

Mieke Komen heeft op al deze vragen een antwoord gezocht in ruim 200 dossiers uit de periode 1960-1995 van het Bureau Kinderrechter van de arrondissementsrechtbank Dordrecht. Het gaat om een steekproef uit een totaal bestand van bijna 2700 dossiers, die in de meeste gevallen betrekking hebben op een OTS, een ondertoezichtstelling. Dat is ook verreweg de meest toegepaste kinderbeschermingsmaatregel (zo'n 4500 nieuwe gevallen per jaar, in 1995 ging het in totaal om 17.000 kinderen). De justitiële kinderbescherming is in Nederland verantwoordelijk voor meer dan 25.000 kinderen, ongeveer 0,75% van alle 0-18-jarigen.

Kinderbeschermingsdossiers zijn meestal zeer omvangrijk en kunnen vele zeer gedetailleerde verslagen en rapporten van allerlei deskundigen bevatten. Ze strekken zich bovendien vaak uit over vele jaren en hoewel ze abrupt eindigen op het moment dat de `pupil' meerderjarig is, zijn ze bijzonder rijke bronnen van informatie over de leefstijl en leefgewoonten van vaak een heel gezin. Natuurlijk zijn het geen neutrale bronnen. De in de dossiers opgenomen stukken hebben een functie in het kader van de maatregel en zo worden ze ook opgesteld. Ze weerspiegelen dan ook minder wat er werkelijk gebeurt in een gezin, waarvan een of meer kinderen onder gezinsvoogdij gesteld zijn, dan wat de dienstdoende maatschappelijk werker, de gezinsvoogd of een pedagoog selecteert en interpreteert. Niettemin zijn ze door de rijkdom aan details en de vele verschillende informanten, waaronder vaak ook de gezinsleden zelf, toch unieke notulen van een verleden dat niet meer op een andere manier te achterhalen is.

De dossiers bevatten ook veel feitelijk materiaal, dat ontwikkelingen in de tijd laat zien. Dat van de OTS-kinderen in de huidige tijd nog niet 20% bij de beide biologische ouders thuis woont, verbaast misschien minder dan het feit dat dit ook in de jaren zestig al voor de helft van de OTS-kinderen van toen gold. In alle periodes was het beroepsniveau van de vader gemiddeld laag tot zeer laag, maar de ongeschoolde arbeider van toen heeft plaatsgemaakt voor de werkloze van nu. Een belangrijk deel van de populatie wordt inmiddels ook gevormd door kinderen uit allochtone gezinnen. Zeker meer dan de helft van de ouders in de dossiers uit de jaren tachtig en negentig leeft van een uitkering. Van de adolescente kinderbeschermingspupillen in de huidige tijd gaat een kleine 40% al niet meer naar school en werkt al evenmin. De achterstand door een toch al slechte start zal voor de meesten van hen niet meer in te lopen zijn.

Sinds de invoering van de OTS-maatregel in 1922 als een preventief bedoelde interventie in een voor de toekomstkansen van het kind zeer ongunstige opvoedingssituatie zijn er van jaar op jaar meer OTS-en opgelegd. Na 1960 zet een sterke daling in, die doorgaat tot ongeveer het midden van de jaren tachtig. Daarna stijgt het weer snel tot de aantallen die ook in de jaren vijftig nog gebruikelijk waren. Daarbij moet men wel bedenken dat in die tussentijd naast en voor de kinderbeschermingsmaatregelen een heel netwerk van vrijwillige jeugdhulpverlening en gezinsbegeleiding gekomen is, waar veel gevallen worden behandeld die vroeger zeker onder de aandacht van de kinderbescherming zouden zijn gekomen. Kinderbeschermingsmaatregelen worden tegenwoordig niet gauw en niet gemakkelijk opgelegd en de tijden dat de betrokken ouders en kinderen weinig anders konden doen dan buigen voor wat een hogere macht hun oplegde, zijn definitief voorbij. Hun juridische positie is veranderd, maar ook de houding van de kinderrechter en de gezinsvoogdij is anders geworden: ouders en kinderen worden meer als partij in de onderhandelingen geaccepteerd.

Toen aan het begin van deze eeuw de bescherming van kinderen justitiële kinderbescherming werd, was de bestrijding van de verwaarlozing van kinderen één van de eerste en belangrijkste doelen. Aan het eind van deze eeuw is dat nog steeds zo. Langdurige armoede, zwakbegaafdheid, verslaving en een erg `losse' levensstijl zijn nog altijd de kenmerken van ouders die hun kinderen ook fysiek verwaarlozen. De voorbeelden die Mieke Komen daarvan geeft zijn schrijnend, het enige verschil tussen de jaren vijftig en nu is dat echt heel slechte behuizing zeldzaam is geworden ( maar vervuiling allerminst) en dat naast de drank vooral de drugs hun opmars hebben gemaakt. Pedagogische en affectieve verwaarlozing werd ook in de jaren vijftig al aangetroffen en gesignaleerd, maar het accent lag toen meer op het in gebreke blijven van het ouderlijk toezicht op de kinderen, terwijl nu meer gelet wordt emotionele betrokkenheid en de diepgang van het contact. De ouders doen het nog precies zo slecht als dertig jaar geleden, maar de kinderbescherming plaatst het falende opvoedingsgedrag in een kader, dat niet alleen anders is, maar naar zijn aard natuurlijk nog moeilijker te realiseren is dan het stellen van regels en het straffen van overtredingen.

Elk jaar zijn er wel een of twee vaders die in een vlaag van ontoerekeningsvatbaarheid hun kinderen doden. Minder aandacht trekken de dertig tot veertig ouders die door fysieke verwaarlozing of ernstige mishandeling de dood van hun kinderen bijna `per ongeluk' teweegbrengen. Opvallend is dat Mieke Komen in haar dossieronderzoek nu juist minder gevallen van ernstige mishandeling tegenkomt dan enkele decennia geleden. Het gemak en de openheid waarmee ouders vroeger over een hardhandige aanpak van hun kinderen spraken, kwam zij nu alleen nog bij een enkele allochtoon tegen. Zo toonde bij huisbezoek een Surinaamse moeder zonder schroom de riem en de gordijnrail waarmee ze haar dochter sloeg. De kinderbeschermers stonden vroeger ook zelf nog niet onder `het taboe op kindermishandeling' en hadden zeker ook nog meer begrip voor een vader `met losse handjes', die zijn zoon regelmatig een `verdiend'(!) pak slaag gaf. De verandering in opvatting over de toelaatbaarheid van geweld leidde overigens merkwaardig genoeg niet tot een verandering in beleid van de kinderbescherming.

Het zal niet verbazen dat kinderbeschermers nu meer dan vroeger alert zijn op seksueel misbruik van kinderen. Enigszins onverwacht blijkt echter dat in de jaren zestig signalen van incest zeker niet genegeerd werden en dat er ook alle reden in werd gezien voor scherpe maatregelen, soms ook strafrechtelijk. Wat verbijsterend ontbreekt – maar dat was bij Freud eigenlijk ook al zo – is een gebrek aan compassie met het slachtoffer, dat als het om een aantrekkelijk kind gaat, ook als medeschuldig wordt gezien. In de jaren zeventig worden meldingen van incest door de kinderbeschermers opmerkelijk vaak gebagatelliseerd of voor onwaar gehouden, terwijl nu de houding meer bepaald wordt door betrokkenheid bij het slachtoffer. In iets minder dan 20% van de onderzochte dossiers was sprake van incest.

Criminaliteit van kinderen kan ook een reden voor het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel zijn. De Dordtse dossiers laten duidelijk een toename van vooral ernstige jeugdcriminaliteit zien. Mieke Komen signaleert hier in historisch perspectief hoe paradoxaal het is om te zien dat ``terwijl kinderbeschermers en ouders meer consideratie tonen voor de jongeren, het gedrag van sommige pupillen in de tegenovergestelde richting is veranderd'. Minder externe dwang gaat bij hen niet samen met een grotere mate van zelfcontrole. Hoe zou dat ook kunnen, als je ziet hoe deze – vaak allochtone - jongens terugkijken op een leven waarin nauwelijks iemand zich om hen bekommerd heeft. Zij zijn `feitelijk alleenstaand', zegt Mieke Komen en dat is toch wel het ergste wat je van een kind kan zeggen.

Mieke Komen: Gevaarlijke kinderen - kinderen in gevaar. Utrecht, SWP, 190 blz. Universiteit van Amsterdam, 19 januari. Promotores: prof.dr. A. de Swaan, dr. A de Regt.