Zie niet naar de wijn

Hoe eigenaardig: overal waren de orthodoxe vaderen tegen, behalve tegen drank. Op zondag mocht je tot voor kort zelfs geen brief posten, maar in mijn jeugd werden op de dag des Heren reeds voor het middagmaal de keizerbitters, de boerenjongens en de advokaatjes te voorschijn gehaald. Sterker: hoe calvinistischer, hoe gevulder de drankkast. Voor een ontblote meisjesenkel werd krachtig gewaarschuwd, maar niemand verhief zijn stem tegen het gebruik van jenever. Is dat begrijpelijk, gelet op datgene wat de bijbel over drank zegt? De Schrift kent slechts twee soorten vuurwater: wijn en bedwelmende drank. Van bier heeft het Woord geen weet, laat staan van gedistilleerd, maar wijn wordt vanaf Genesis 9 vers 21 tot Openbaringen 19 vers 15 tientallen keren genoemd. Ook als er in de bijbel over bedwelmende drank wordt gesproken, lijkt er zelden iets anders bedoeld te zijn dan wijn.

De eerste keer dat er in de bijbel een dronkaard optreedt, heeft dat meteen akelige gevolgen. De bezatte Noach ontbloot zich, en zijn zonen lopen met afgewend hoofd zodat zij `huns vaders naaktheid niet zagen' de tent in om een mantel over hun verwekker heen te draperen. De tweede zatladder is Lot. Die wordt door zijn dochters twee nachten achtereen dronken gevoerd. De eerste nacht cohabiteert de oudste dochter met haar benevelde vader, de tweede nacht de jongste dochter. Beiden hopen op deze wijze zwanger te worden en dat lukt warempel ook. Je vraagt je daarbij wel af hoe dronken Lot was. Toeterzat kan bijna niet, want dan krijg je hem niet meer overeind. Maar als Lot alleen maar aangeschoten was, vraag je je weer af waarom hij niet doorhad dat hij incest pleegde. Enfin, hoe dan ook: dit blijft een uiterst onverkwikkelijk verhaal. En net als het verhaal over Noach lijkt de moraal ervan duidelijk: drink niet.

Aäron kreeg dan ook aangezegd: `Wijn of bedwelmende drank zult gij niet drinken, gij noch uw zonen, wanneer gij de tent der samenkomst binnengaat, opdat gij niet sterft - het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten.' (Leveticus 10 vers 9).

Vooral in het bijbelboek Spreuken wordt krachtig stelling genomen tegen drank. In Spreuken 20 vers 1 lezen we: `De wijn is een spotter, de drank een luidruchtige, ieder die zich daaraan overgeeft is onwijs.' Een hoofdstuk verderop waarschuwt de auteur: `Wie olie en wijn liefheeft wordt niet rijk,' en de afschuw die de Spreukendichter van wijn heeft, levert ons in hoofdstuk 23 een schitterende tirade op. `Bij wie is ach? bij wie is wee? bij wie is twist? bij wij geklaag? bij wie zijn wonden zonder reden? bij wie troebele ogen? Bij hen die laat opzitten bij de wijn, die komen om de gemengde drank te proeven. Zie niet naar de wijn, wanneer hij roodachtig fonkelt, wanneer hij in de beker parelt; vlot glijdt hij naar binnen, tenslotte bijt hij als ene slang, en spuwt gif als een adder. Dan zien uw ogen vreemde dingen en uw hart spreekt wartaal; gij zijt als een, die in het hart der zee ligt, als een die op het uiteinde van een ra ligt.'

Je zou toch menen dat zulke prachtige, krachtige bijbeltaal van onze vaderen geheelonthouders had moeten maken. Niets is echter minder waar. Terwijl de Spreukenschrijver verderop nog zegt dat het koningen niet past om wijn te drinken (Spreuken 31 vers 4) en we in Jesaja 5 vers 22 lezen: `Wee hun die helden zijn in het drinken van wijn' en de profeet Hosea uitroept: `Wijn en most nemen het verstand weg,' (Hosea 4 vers 11), heeft nimmer enige paus, bisschop, priester of dominee in het verleden zijn stem verheven tegen wijn en sterke drank. Blijkbaar las men glashard over deze teksten heen, nam men alleen ter harte wat Prediker zegt: `Drink uw wijn met een vrolijk hart' (Pred. 9:7) en `Wijn maakt het leven vrolijk' (Pred. 10:19).

Of neemt het Nieuwe Testament een ander standpunt in ten aanzien van wijn en dronkenschap? De apostel Paulus waarschuwt echter herhaaldelijk tegen wijn. In Efeziërs 5 vers 18 lezen we: `En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met de geest.' In 1 Timotheus 3 vers 3 lezen we bovendien dat een ouderling `niet genegen tot den wijn' moet zijn. Hetzelfde geldt blijkens vers 8 voor de diakenen: `De diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn, niet tweetongig, niet die zich tot veel wijns begeven.' Je mag blijkens 1 Timotheus 5 vers 23 alleen `een weinig wijn' gebruiken `om uwe maag.' In de brief aan Titus worden diezelfde voorschriften herhaald. Een opziener moet onberispelijk zijn, niet driftig, niet aan de wijn verslaafd, en hetzelfde geldt blijkens Titus 2 vers 3 ook voor oude vrouwen.

Waarschijnlijk zijn al deze voorschriften en raadgevingen ten aanzien van wijn en bedwelmende drank in de loop der Christelijk eeuwen zo ruimhartig met voeten getreden omdat Jezus zo'n liberaal standpunt inneemt ten aanzien van wijn. Als we het evangelie van Johannes mogen geloven was zowat z'n eerst wonder: het veranderen van water in wijn op de bruiloft te Kana. Het zou, gelet op het feit dat vooral drankmisbruik momenteel verantwoordelijk is voor al dat zogenaamde zinloze geweld waarmee we tegenwoordig geconfronteerd worden, heel wat verstandiger van Jezus zijn geweest als hij dat water in Rivella had veranderd. Maar ook bij het Heilig Avondmaal laat hij een beker wijn rondgaan. Het is overigens duidelijk dat het nooit zijn bedoeling kan zijn geweest dat zulks door ambtsdragers herhaald zou worden in `de tent der samenkomst' want dat is fundamenteel strijdig met de `altoosdurende inzetting voor uw geslachten' uit Leviticus 10. Dat in de Rooms Katholieke kerk alleen de priester in `de tent der samenkomst' een teugje wijn mag nemen staat derhalve volstrekt haaks op het Woord. Leviticus 10 vers 9 wordt daarmee op wel zeer grove wijze geschoffeerd door onze Paapse broeders.

Ik herinner me nog dat ik ergens in de jaren vijftig een preek heb gehoord van een Gereformeerde Bonder in de Hervormde kerk te Maassluis over Spreuken 16 vers 27. Het woord des Heren luidt daar als volgt: `Een Belials man graaft kwaad, en op zijne lippen is als brandend vuur.' Uit deze tekst goochelde de ambstdrager welsprekend te voorschijn dat het christenen verboden is om te roken. Alleen mannen van Belial staken volgens hem een sigaret op. Een opmerkelijk tekstexegese. Merkwaardig ook, want voorzover ik weet heeft nog nooit iemand op bijbelse gronden roken verboden.Maar nog merkwaardiger is dat deze dominee op grond van zo'n onduidelijk tekst het roken verbood, terwijl ik mij nog goed herinner dat ik na afloop van de dienst samen met mijn vader en deze man bij een `boetvaardige' ouderling uitgenodigd werd voor een kop koffie. Nog was de koffie niet op, of oude en jonge jenever, wijn en likeur werden op tafel gezet. En dat terwijl het bijbelboek Spreuken drankgebruik toch oneindig veel duidelijker verbiedt dan het opsteken van een sigaret. De Christelijke moraal ten aanzien van alcohol is een levensgroot raadsel.

    • Maarten ’t Hart