Wij zijn uniek

Het buitenland maakt zich meester van Zwedens industrie, het land behoort niet meer tot de tien rijkste, en de werkloosheid is nog erg hoog. Wat doet Zweden verkeerd? Weinig, zegt de vak- bondsbestuurder. Bijna alles, vindt de werkgeversvertegen- woordiger.

Voor sommige Zweden staat het als een paal boven water: het land is bezig met een uitverkoop van zijn industrie. De eigendom van en de controle over grote Zweedse concerns verhuist door fusies en overnemingen geleidelijk meer naar het buitenland.

Voorbeelden waren er de afgelopen tijd te over. Autoproducent Saab kwam al eerder voor de helft in handen van het Amerikaanse General Motors, Het Nederlandse Akzo kocht het chemieconcern Nobel, de Zweedse geneesmiddelenbedrijven Astra en Pharmacia fuseerden recent met respectievelijk het Britse Zeneca en het Amerikaanse Upjohn. Het grote papier- en pulpconcern Stora ging samen met het Finse Enso en vestigde meteen het hoofdkantoor maar in Helsinki. Zelfs elektronica-fabrikant Ericsson, Zwedens trots op IT-gebied en uiterst succesvol in mobiele telefoons, verplaatst een deel van zijn hoofdkantoor naar Londen.

Al die gebeurtenissen hebben in Zweden de vraag opgeworpen of er iets mis is met het Zweedse industrieklimaat. De voorzichtige discussies over wat er precies aan schort, lijken in een stroomversnelling te komen na de aankondiging, vorige week, dat Volvo zijn autodivisie zal verkopen aan het Amerikaanse Ford. Volvo geldt als symbool bij uitstek van Zwedens industriële potentie en de verkoop raakt veel Zweden in het hart.

Twee keer eerder is een poging gedaan Volvo geheel of gedeeltelijk te verkopen of te laten fuseren. De eerste keer wilde het door olie- en gaswinning rijk geworden buurland Noorwegen de helft van de autofabrikant kopen. Toen lag de machtige Zweedse vakbeweging - via haar pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen een belangrijke aandeelhoudster in Volvo - nog dwars. In 1993 strandde een voorstel tot samengaan met het Franse Renault op weerstand van kleine Volvo-aandeelhouders.

Ditmaal lijkt de verkoop wel kans van slagen te hebben, omdat ook veel Zweden beseffen dat Volvo met een productie van slechts 400.000 auto's per jaar het geweld op de wereldmarkt niet zelfstandig zal kunnen overleven. Maar pas in maart zal blijken hoe de aandeelhouders er echt over denken.

In ieder geval hebben de recente ontwikkelingen in de industrie de Sociaal-democratische regering in Stockholm, de vakbeweging en de werkgevers aan het denken gezet. Twee weken geleden is onder leiding van minister Björn Rosengren, die aan het hoofd staat van het superministerie van Industrie en Handel, een werkgroep gevormd die oplossingen moet aandragen voor de problemen van de Zweedse economie. Topmensen uit het bedrijfsleven als Leif Johansson van Volvo en G⊘ran Lindahl van ABB, de machtige voorman van de metaalvakbond en andere prominenten maken er deel van uit. Centrale vragen waarover de werkgroep zich zal buigen zijn: wat te doen aan het verbeteren van de concurrentiepositie van Zweedse bedrijven en hoe de relatief achterblijvende economische groei en werkgelegenheid te stimuleren.

De vorig jaar aangetreden regering van premier Persson heeft hoge verwachtingen voor de komende jaren met een economische groei van rond de 3 procent. De werkloosheid, die de afgelopen paar jaar al aanmerkelijk is gedaald, van ruim 8 naar ruim 6 procent, zou volgens de regering volgend jaar op 4 procent moeten uitkomen, maar volgens waarnemers zal dit door de economische crises in Azië, Rusland en Latijns-Amerika, vrijwel zeker niet worden gehaald. Overigens kent Zweden ook een verkapte werkloosheid van nog een kleine 4 procent van mensen die in omscholingsprogramma's zitten.

De collectivistische en corporatistische ambities van het `Zweedse model', in een nog niet zo grijs verleden een lichtend voorbeeld voor veel landen, stonden borg voor de verzorgingsstaat die Zweden nu is. Maar al tijdens de diepe economische crisis waarmee het land begin jaren negentig te maken kreeg, werd duidelijk dat de welvaartsstaat wellicht te ver is doorgeschoten. ,,In Zweden hebben we het altijd gehad over de verdeling van de welvaart. Nu moeten we het hebben over het creëren ervan'', erkent zelfs Kay Hammerich die er als baas van het bureau Invest in Sweden voor wordt betaald een zo gunstig mogelijk beeld van Zwedens investeringsklimaat te schetsen.

De grote omvang van de publieke sector en de daaraan gekoppelde hoge belastingtarieven gaan in Zweden ten koste van de concurrentiepositie en de economische groei. Maar echte maatregelen bleven uit, vermoedelijk mede doordat de problemen zijn versluierd door de depreciatie van de Zweedse kroon. Maar ook die weg zal worden afgesneden als het land, zoals vrij algemeen de verwachting is, begin volgend jaar alsnog zal besluiten tot de Economische en Monetaire Unie (EMU) toe te treden.

Zweden is een hoogontwikkeld land met een zeer goede infrastructuur, een groot aantal succesvolle multinationale bedrijven en een goed opgeleide beroepsbevolking. Toch maakt econoom Jan Herin van de werkgeversorganisatie SAF zich zorgen over de uittocht van veel belangrijke ondernemingen. ,,We moeten oppassen dat we geen Lego-land worden, dat we alleen maar dingen in elkaar zetten die anderen bedacht hebben.''

Hij wijst er op dat Zweden sinds 1970 op de wereldranglijst van de rijkste landen, gemeten naar bruto binnenlands product per inwoner, is gezakt van de vierde plek tot de 18de plaats in 1997. ,,We zijn een beetje als het land dat nog steeds rijk is, maar dat het tafelzilver moet verkopen om de verzorginsgsstaat draaiende te houden'', zegt Herin.

Hij wijt ,,de uitverkoop'' van de nationale industrie onder meer aan de Zweedse attitude ten opzichte van ondernemers. ,,In Zweden hebben we goed gezorgd voor de grote, multinationale concerns. De vennootschapsbelasting is met 28 procent laag te noemen. Maar de inkomstenbelasting is, na Denemarken, de hoogste in Europa. De sociaal-democraten die dit land zo lang hebben geregeerd, wilden geen rijke mensen maar wel rijke concerns. Maar als je geen kapitalisten hebt, krijg je geen kleine en middelgrote bedrijven die kunnen doorstoten naar de top. Dat is deze eeuw eigenlijk alleen de eigenaren van Ikea en Tetrapak gelukt. En die eigenaren zijn Zweden intussen ontvlucht.''

,,In Zweden'', zegt Herin, ,,is het hele huishouden gesocialiseerd. Alle diensten worden geleverd door de publieke sector. Dat heeft de mensen erg afhankelijk gemaakt van de staat. Maar dat was niet de bedoeling van het Zweedse model. Dat was er om de zwakkeren te helpen. Zweden is bovendien erg egalitair. De hoogste en de laagste inkomens liggen hier dichter bij elkaar dan in elk ander land. Door de hoge belastingen en door het feit dat promoties nauwelijks meer geld opleveren zijn mensen minder bereid om initiatief of verantwoordelijkheid te nemen. Veel jonge, hoogopgeleide landgenoten trekken weg omdat ze bij Siemens of Unilever veel meer kunnen verdienen dan in Zweden. En omgekeerd is het heel moeilijk hoog opgeleide buitenlanders naar Zweedse bedrijven te halen omdat die er teveel in netto inkomsten op achteruit gaan.''

Herin vergelijkt Zweden met Nederland van vijf jaar geleden. ,,Ons kernprobleem is dat ruim 4 miljoen mensen hier afhankelijk zijn van de publieke sector en slechts 2,4 miljoen in de private sector actief zijn. Als de basis – de bedrijven – wegtrekt, hoe kan je dan de belastingen opbrengen die nodig zijn om de publieke sector te financieren?''

Dat het Zweedse model hapert, bevestigde het onlangs verschenen rapport van de onafhankelijke Zweedse denktank SNS. De studie, genaamd `De weg naar welvaart', wijst eveneens op de excessief omvangrijke publieke sector, de hoge belastingen en de uitgebreide overheidsinterventie in grote delen van de dienstensector. Verder zijn, aldus de onderzoekers, veel productmarkten gereguleerd en heerst daar een gebrek aan concurrentie. Veel markten, aldus de SNS-studie, worden in Zweden beïnvloed door `IJzeren Ringen', bestaande uit politieke partijen, ministeries en overheidsinstellingen. ,,Deze ringen hebben gezorgd voor een bijna compleet, systematisch patroon voor het functioneren van beschermde sectoren.'' Het gevolg zou zijn: hoge prijzen en een slechte kwaliteit van veel goederen en diensten.

De opstellers van de studie vergelijken Zweden met ,,een half afgebouwd huis waarin aanzienlijke onvrede bestaat over het collectieve systeem. Tegelijkertijd, constateert het rapport, lijkt er nog geen wijdverbreide steun te zijn voor een systematische overgang naar een liberale markteconomie. ,,Een belangrijke reden voor deze aarzeling is de bezorgheid dat dit een zeer negatief effect op de inkomensverdeling zal hebben.''

Lang niet iedereen is het met deze conclusies eens. Bertil Jonsson bijvoorbeeld, voorzitter van de machtige vakcentrale LO die met 2,1 miljoen leden 95 procent van de blauwe boorden vertegenwoordigt, wijst de kritische studie volstrekt van de hand. ,,Het is een product van de rechtervleugel`, zegt Jonsson. Hij vindt niet dat er in Zweden zoveel hoeft te veranderen. ,,Het zijn praatjes van rechts en van de werkgevers. Wij zijn uniek in Zweden, waarom moeten wij hetzelfde zijn als andere landen? We hebben een goed investeringsklimaat en zeer goed opgeleide werknemers. Waarom zou Ford anders 50 miljard kronen investeren in Volvo? En waarom steekt General Motors zoveel geld in Saab?

,,Wij hebben een goede industriële traditie, we hebben veel buitenlandse bedrijven overgenomen. Het Zweedse model was heel goed. We proberen het nu aan te passen omdat de loonvorming niet meer spoort met de lage inflatie. We willen een model voor na het jaar 2000 en gebaseerd op de globalisering. Wij hebben een welvaartsstaat met goede voorzieningen, goed onderwijs, goede gezondheidszorg. De meerderheid van onze bevolking wil het zo.''

Jonsson is niet bang voor een exodus van Zweedse bedrijven. Veel meer vreest hij het uitsluitend kijken naar winst op korte termijn, naar het belang van de aandeelhouders. Hij kritiseert daarom Ericsson dat net, ondanks goede winstcijfers, een reorganisatie aangekondigde die 11.000 mensen, waaronder 3.000 in Zweden, hun baan zal kosten. ,,Dat noem ik het Amerikaanse kapitalisme dat naar Europa komt, waar de volgende kwartaalcijfers het beleid domineren.''

Wie kan beter over het industriële klimaat oordelen dan de investeringsmaatschappij Investor, waarin het omvangrijke industrie-imperium van de familie Wallenberg is ondergebracht? Investor, dat naast de Wallenbergstichtingen inmiddels ook andere institutionele beleggers als aandeelhouders heeft, bezit minderheidsbelangen in vrijwel alle grote Zweedse ondernemingen: ABB, SAS, Stora, Elektrolux, Saab, Scania, Ericsson en vele andere. Bij elkaar hebben die ondernemingen 100 miljard dollar omzet en 600.000 werknemers. Bestuurslid Nils-Ingvar Lundin van Investor ontkent dat Zweden bezig is met het verkwanselen van zijn industriële erfgoed. ,,Dat beeld klopt niet. Je zou het juist op prijs moeten stellen dat het buitenland in Zweden investeert.'' Alle bedrijven in de portefeuille van Investor zijn te groot voor de kleine Zweedse markt, zegt Lundin. ,,Die moeten wel globaliseren. Dat betekent ook fusies en overnames. Je kunt nu eenmaal niet alles blauw en geel houden.''

Tegelijkertijd geeft Lundin toe dat de Zweedse regering de concurrentiepositie zeer goed in de gaten moet houden en iets zou moeten doen aan de hoge belastingdruk. En ook Lundin vindt het tijd voor veranderingen in het Zweedse model. Maar dat stuit volgens hem op ,,heel conservatieve krachten''. ,,En als je hier over conservatieve krachten praat, moet je vooral denken aan de vakbeweging, de Linkse Partij en de Groenen. De wereld staat hier op z'n kop. De vakcentrale LO koestert ideeën van decennia geleden.''