Werkgelegenheidspact EU biedt geen enkele oplossing

Het Europese Werkgelegenheidspact staat een effectieve oplossing van het werkloosheidsvraagstuk in de weg, meent Hans H.J. Labohm. Het pact ondermijnt de motivatie van individuen om zelf initiatieven te ontplooien.

De werkloosheid in Europa is al jaren uitzonderlijk hoog, zeker vergeleken met de Verenigde Staten. In het begin van de jaren negentig was het Europese werkloosheidspercentage nog maar iets hoger dan het Amerikaanse: 8,5 procent tegenover 6,8 procent. Maar de kloof werd steeds groter. In 1998 was de werkloosheid in Europa zelfs 10,9 procent, tegenover 4,8 procent in de VS. Op grond hiervan dringt zich de conclusie op dat de grote Europese werkloosheid een man-made disaster is. En dat is bijzonder gênant omdat de Europese landen in hun verzorgingsstaatretoriek een hogere prioriteit toekennen aan werkgelegenheid dan de Amerikanen. In het Europese Rijnlandmodel erkent de overheid dat zij verantwoordelijkheid draagt voor volledige werkgelegenheid, terwijl in het Angelsaksische model de werkgelegenheid voornamelijk aan de markt wordt overgelaten.

De Europese Economische en Monetaire Unie (EMU) heeft door de jaren heen allerlei kritiek moeten verduren, waaronder het verwijt dat de EMU als zodanig geen aandacht schonk aan de sociale dimensie en geen mogelijkheid bood iets te doen aan de bestrijding van de relatief hoge Europese werkloosheid. Toen de socialistische regering-Jospin in Frankrijk aan de macht kwam, heeft deze het initiatief genomen om deze tekortkoming te verhelpen. Na lang aandringen zijn de andere EU-landen – sommige met forse tegenzin – akkoord gegaan met de Franse voorstellen. Deze hebben geleid tot het zogenoemde Werkgelegenheidspact, officieel genaamd: de Conclusies van het Voorzitterschap van de Buitengewone Europese Raad inzake Werkgelegenheid, die in november 1997 in Luxemburg plaatsvond.

De tekst van het Werkgelegenheidspact beslaat 79 paragrafen met specifieke aanbevelingen, zoals: een actieplan voor de Europese Investeringsbank; trans-Europese netwerken; algemene werkgelegenheidsrichtlijnen; nationale werkgelegenheidsactieplannen; maatregelen om de inzetbaarheid van mensen op de arbeidsmarkt te bevorderen door scholing, herscholing en het opdoen van werkervaring, in het bijzonder voor jongeren en langdurig werklozen; de bevordering van ondernemerschap; stimuleringsmaatregelen voor het MKB; maatregelen ter bevordering van de verspreiding van innovatie en de overdracht van technologie, et cetera. Op het eerste gezicht lijken het nuttige maatregelen, maar opvallend is dat het Pact met geen woord rept van de meest effectieve middelen voor de bevordering van werkgelegenheid, namelijk loonmatiging en loondifferentiatie.

Het zijn middelen waarmee wij in het Nederlands Poldermodel zeer goede ervaringen hebben. Zij zijn geheel in lijn met de teneur van de befaamde `Jobs Study' van de OESO. Hierin zijn onder meer specifieke getallen opgenomen voor het werkgelegenheidseffect van loonmatiging, die zijn berekend op basis van ervaringscijfers uit vele OESO-landen.

Voor vele landen geldt dat indien de arbeidskosten met één procent worden verlaagd, de werkgelegenheid na enige tijd (van één tot enkele jaren) met één procent stijgt.

Waarom is loonmatiging in het Werkgelegenheidspact dan niet tot speerpunt van beleid gemaakt? Men kan slechts gissen hoe dat komt. Misschien heeft het iets te maken met de vrees dat in grote delen van Europa een aanbeveling van deze strekking bij de vakbeweging het effect zou hebben gehad van een rode lap op een stier.

Men zou kunnen redeneren dat ook al zal het Werkgelegenheidspact geen substantiële bijdrage leveren aan de bevordering van de werkgelegenheid, het in ieder geval geen negatieve invloed daarop zal hebben. Dus baat het niet, dan schaadt het ook niet. Maar dat staat geenszins vast. Want een aantal aanbevelingen van het Pact staat op gespannen voet met het streven naar een verlaging van de werkloosheid.

Voor de uitvoering van het Pact zijn immers hordes ambtenaren nodig om de verschillende onderdelen uit te voeren. Dit vergt een hoop belastinggeld, hetgeen een opwaartse druk uitoefent op het belastingniveau en daardoor – via een omweg – ook op de indirecte arbeidskosten. Bovendien leggen zij beslag op de tijd en energie van ondernemers. In plaats van zich bijvoorbeeld te richten op marktactiviteiten en efficiencyverbetering moeten zij formulieren invullen en met ambtenaren onderhandelen over hun subsidieaanvragen.

Vooral voor het MKB, dat de belangrijkste bron is van de schepping van nieuwe werkgelegenheid, zal dit een extra belasting vormen. Daarnaast ondermijnen dit soort maatregelen de motivatie van individuen om zelf initiatieven te ontplooien, waardoor hun afhankelijkheid van de overheid wordt vergroot. Ten slotte kan worden gesteld dat indien een overschot aan arbeidskrachten door de overheid uit de markt wordt genomen door allerlei kunstmatige werkgelegenheidsprojecten, de druk om een benedenwaartse aanpassing van de lonen te bewerkstelligen deels zal worden weggenomen. Werkgevers en werknemers vertrouwen er op dat de overheid als bezemwagen zal fungeren en het aanbodoverschot van arbeid zal opvangen, waardoor zij zelf van de plicht zijn ontslagen om overeenstemming te bereiken over een loonniveau waarbij de vraag naar arbeid gelijk is aan het aanbod.

Al met al bevat het Werkgelegenheidspact tal van van elementen die een effectieve, marktconforme oplossing van het werkloosheidsvraagstuk belemmeren, waardoor het twijfelachtig is of het netto-effect positief zal zijn. De huidige stand van zaken van het Werkgelegenheidspact doet dan ook denken aan de gezagvoerder die eens de fameuze woorden uitsprak: ,,This is your captain speaking. We are on schedule, but we have no idea where we are.'

Drs. Hans H.J. Labohm is als gastonderzoeker verbonden aan Instituut Clingendael.