Waternimfen en ijsvrouwen

Bernard Lycett-Kean heeft een probleem met blauw. Om precies te zijn: de kleur blauw van zijn zwembad. Sinds hij dat zwembad heeft laten aanleggen bij zijn huis in de Cevennes is Bernard, een gevierde Britse schilder, geobsedeerd geraakt door de kleur, die verandert met de weersomstandigheden. Elke dag weer probeert hij tevergeefs het verraderlijke blauw op zijn doeken te vangen, en elke dag weer vraagt hij zich af waarom hij niet liever een glas wijn gaat drinken, of bijvoorbeeld de slachtoffers van een ramp in Colombia gaat helpen. `Why bother?', zegt hij tegen zichzelf, `Wat maakt het uit of ik een oplossing kan vinden voor dit blauw? Wat heeft het voor zin?'

Bernard is een van de personages uit Elementals, de nieuwe verhalenbundel van Booker Prize-winnares A.S. Byatt. Niet alleen keren daarin de vier elementen als natuurverschijnselen steeds terug, ook worden alle verhalen bevolkt door personages die uit hun element zijn geraakt, of het juist hebben hervonden. Maar Byatt doelt met `elemental' ook nog op datgene wat essentieel is in het leven, en daarbij komt ze vanzelf uit bij het soort vragen dat Bernard stelt.

Worstelend met onuitgesproken vragen, en beslist niet in haar element, is de hoofdpersoon van het eerste verhaal, een vrouw die na de plotselinge dood van haar man impulsief afreist naar Zuid-Frankrijk en daar heel moeizaam haar levenslust hervindt. Dit `Crocodile Tears' is een lang, goed geschreven maar verder niet opmerkelijk verhaal, en ook het daaropvolgende, over de zwembadschilder, dreigt aanvankelijk een conventionele vertelling te worden over upper middle-class Engelsen in Frankrijk. Maar dan laat Byatt haar realisme varen, en lijkt ze pas goed in haar eigen element te komen.

Bernard vult zijn zwembad met water uit de rivier en merkt tot zijn verbazing dat er, lang nadat alle vissen en kikkertjes eruit gefilterd zijn, nog iets rondzwemt in het diepe. Het blijkt een schitterend gekleurde slang te zijn, fluweelzwart met rode strepen, pauwenoogvlekken en zilveren sikkeltjes, die bovendien ook nog beschikt over grote donkere mensenogen en een rij blikkerende tandjes. In slissend Frans dialect legt het wezentje hem uit dat ze een Lamia is, en zal veranderen in een beeldschone vrouw als hij haar kust. Zo'n Lamia werd eerder beschreven in het gelijknamige gedicht van Keats, met de beroemde regels over hoe de moderne wetenschap de wereld onttovert: `Philosophy will... Unweave a rainbow, as it erewhile made/ The tender-personed Lamia melt into a shade'. Bernard vindt de breking van licht in water echter ten minste zo betoverend als de Lamia, en prefereert haar verschijningsvorm als slang om haar kleuren te kunnen schilderen.

Zo verwerkt Byatt moeiteloos allerlei ideeën over wetenschap, het wonderbaarlijke en de zin van kunst tot een luchtig verhaal. Werden haar romans al langer ideeënromans genoemd, sinds haar vorige bundel, The Djinn in the Nightingale's Eye (1994), is Byatt ook ideeënsprookjes gaan schrijven, en een paar verhalen in Elementals vallen duidelijk onder dit genre. Daarbij gaat Byatts intellectuele belangstelling in het bijzonder uit naar de rol van kunst en literatuur, zoals ook al is gebleken in eerdere romans als Possession (1990) en Babel Tower (1996). In Elementals wordt elk verhaal voorafgegaan door een afbeelding van een kunstobject, en elk verhaal gaat wel op een of andere manier over kunst.

Het mooiste komen Byatts thema's samen in het sprookje `Cold', over hitte, kou, passie en kunst als elementaire levensbehoeften. De heldin van het verhaal, een kwijnende prinses in een gematigd koninkrijk, ontdekt bij toeval dat zij, net zoals een verre voorouder uit het Noorden, een ijsvrouw is die zich alleen maar goed voelt bij barre kou. Het koningshuis probeert een huwelijk te regelen met een Noorderling, maar de ijsprinses verkiest uiteindelijk de donkere prins die haar schitterende geschenken stuurt van geblazen glas, ook al is hij afkomstig uit een heet woestijnrijk. Ze denkt met pure wilskracht haar natuurlijke element te kunnen opgeven voor de liefde, maar ontdekt dat ze de invloed van het weer en haar lichaam niet zomaar kan negeren. De kunst van haar man brengt redding: hij bouwt voor haar een glazen paleis hoog in de bergen, met een glazen airconditioningsysteem, waarin beiden kunnen leven.

Byatt leeft zich in deze verhalen weer helemaal uit in zinnelijke beschrijvingen van de fysieke wereld. Met liefdevolle aandacht voor details lijkt ze letterlijk met woorden te willen schilderen, zoals bijvoorbeeld in de passage waarin de ijsprinses haar ware aard ontdekt en 's nachts stiekem naar buiten sluipt om naakt in de sneeuw te dansen: `Op een nacht ontdekte ze, al bewegend, dat haar hele lichaam bedekt was in een transparante, knisperende huid van ijs, die in generfde blaadjes zo fijn als spinnewebben brak terwijl ze danste, en dan hervormde. De sensatie van deze dubbele huid was verrukkelijk. Ze had bevroren wimpers en zag de wereld door een ijslens; haar zwiepende haar maakte een broze en melodieuze klank, want elke haar was omhuld en bevroren'.

Er volgen nog drie verhalen na `Cold', maar die zijn korter en maken over het geheel genomen minder indruk dan de voorafgaande. Het laatste verhaal, over een ontevreden kokkin, is zelfs uitgesproken didactisch, alsof Byatt meende nog eens expliciet te moeten maken wat haar antwoord is op de eerder gestelde vraag, `Why bother?' Daarmee geeft ze aan het slot van de bundel een air van verantwoording mee die misplaatst is. Wanneer een verhaal goed is, vraag je je helemaal niet af wat het nou voor zin heeft.

A.S. Byatt: Elementals. Stories of Fire and Ice. Chatto & Windus, 230 blz. ƒ51,10 (geb).