Victoriaanse rouw om Arcadië

Ooit kwamen Tennyson's versregels `Every minute dies a man/ Every minute one is born' de mathematicus Charles Cabbage onder ogen. Hij maakte bezwaar. De wereldbevolking bleef immers niet constant, zoals de versregels suggereerden, ze steeg. Men mocht, vond Cabbage, om metrische redenen hooguit éénzestiende afwijken van de werkelijke verhouding, die 1:1.67 was.

Ook wij Nederlanders zijn hardhandig op dit conflict tussen poëzie en determinisme gewezen, door Batavus Droogstoppels fameuze probleemstelling in Max Havelaar dat het de fundamentele beperking is van poëzie, dat het daarin slechts guur kan zijn om vier uur, en niet om kwart voor drie.

Juist in de Victoriaanse periode vonden velen het moeilijk te aanvaarden dat poëzie een autonome wereld schept, waarin dingen tegelijkertijd waar en niet waar kunnen zijn. Eminente getuige daarvan is de bijbel van het Victoriaanse sentiment, de poëtische cyclus In Memoriam A.H.H. van Alfred, Lord Tennyson (1809-1892), een gedicht dat het rouwproces beschrijft om een verloren vriend, in 131 strofische gedichten van wisselende lengte.

A.H.H. zijn de initialen van Arthur Henry Hallam, die Tennyson in 1827 in Cambridge ontmoette en op wie hij terstond (waarschijnlijk in Platoonse zin) verliefd werd. De dood van Hallam in 1833, op 22-jarige leeftijd, wordt door Tennyson zijn leven lang betreurd. In In Memoriam test hij zijn liefde voor Hallam tot het uiterste, en visualiseert hij bloedstollend zijn Arthur onder de aarde: `Oude Taxus, wiens takkennet/Het zonlicht van de zerken rooft,/Uw vezels binden 't droomloos hoofd/Uw wortels windt ge om 't skelet. Of Ik zal met de dood geen strijd aangaan/Omdat hij lijf en hoofd vervormt;/Wat wroet en broedt in hem, omarmd/Door de aarde, tast geloof niet aan.'

Maar niet heus, denkt de lezer regelmatig. Want veel meer dan de uitdrukking van een geloof, is In Memoriam de uiting van twijfel. De dichter tracht die twijfel te onderdrukken door, met name aan het eind van elk gedicht, lippendienst te bewijzen aan positievere gedachten. Aan blij vertrouwen in vereniging in het hiernamaals, aan de zin en wijsheid van verdriet, aan geloof in een goddelijke voorzienigheid en rechtvaardigheid. Maar dwars door die lippendienst heen baant de twijfel zich schreeuwend een weg naar buiten.

In Memoriam weerspiegelt de veranderingen in het verdriet, met al zijn transformaties, permutaties en repressies. Dat wordt mede veroorzaakt doordat Tennyson de cyclus in de tijd differentieert door gedichten te wijden aan vaste gebeurtenissen als kerstmis, nieuwjaar, de verjaardag en de sterfdag van Hallam. In die schets van terugkerende momenten komt het veranderende gemoed gefragmenteerd aan het licht. Dat maakt de lectuur van In Memoriam een zeer intensieve, emotionele en soms zelfs uitputtende ervaring.

De uitputting wordt ook wel veroorzaakt door ergernis, door Tennysons volharden in depressieve gedachten, of door het ontbreken van ironie. Maar al met al is de cyclus een klein meesterwerk: door de intensiteit van de twijfel, door de merkwaardige trefzekerheid van de waarnemingen en ten slotte door de vernieuwende kracht waarmee Tennyson de elegische traditie heeft getransformeerd.

Zeitgeist

Nu is het niet zo, dat door Tennysons twijfel de hoop op een gelukkig einde geheel ontbreekt. Eerder is de dichter, om een formulering van T.S. Eliot over te nemen, meer bezig met het verlies van de man dan met het winnen van de Heilige. In die zin is Tennyson een realist, zoals de beeldende kunstenaars van zijn tijd in Frankrijk. Tegelijkertijd bedient hij zich echter van een Vergiliaanse tong, een Keatsiaans gemoed en een Shakespeareaanse techniek. Daarom is de vaak gehoorde opmerking dat In Memoriam de kwintessens van de Victoriaanse Zeitgeist bevat, ook zo misleidend: die tijdgeest spreekt er wel uit, maar met zo'n unieke stem dat hij zich van zijn historische plaats loszingt.

Al slaagt Tennyson er nooit volledig in de twijfel terug te dringen, het lijkt hem wel te lukken om de uiterste consequenties van zijn gevoelens voor Hallam te doorgronden. Zo schetst hij een slaapkamer die zij deelden: `darling room ... with thy two couches soft and white'. Voor exegeten zijn zulke passages reden geweest om In Memoriam te duiden als een document van al dan niet verdrongen homoseksualiteit. Tennyson staat echter in zijn exaltatie van vriendschap tot mystiek-erotische hoogten op één lijn met vele tijdgenoten, onder wie de staatsman Disraeli, geenszins homoseksueel. Tennyson is eerder een conformist, aan het Victoriaanse ideaal van schooljongens en kalverliefde, dan een rebellerend homoseksueel.

De kracht van In Memoriam is dat hij in die schooljongens-romantiek niet meer écht kan blijven geloven, al probeert hij dit nog zo hard uit piëteit jegens de dode. De terugblik op het verloren studentenparadijs waarin Arthur en Alfred leefden, stelt Tennyson bovendien in staat om – heel opportuun voor een elegie – een verloren Arcadië op te roepen. Dit alles gaat gepaard met een grote citeerbaarheid, waarvan het beroemdste voorbeeld is: `tis better to have loved and lost than never to have loved at all'. Die kwaliteit heeft het gedicht in de Angelsaksische wereld zo'n beetje tot een repertorium van gemeenplaatsen gemaakt.

Dat dit ten onrechte is, bewijst de hernieuwde kennismaking die nu mogelijk is gemaakt door de opname van In Memoriam in de reeks Ambo-tweetalig. De goede en informatieve inleiding van de onlangs overleden professor Bronzwaer, die de vertaling van Rudy Bremer begeleidt, is een passend eerbetoon is geworden aan diens alom gerespecteerde eruditie.

De vertaling is haast Victoriaans vormvast. Bremer lijkt letterlijkheid tot wetenschap te hebben verheven. Zo vertaalt hij Tennyson's viervoetige jamben in Nederlandse viervoetige jamben. Maar omdat het Nederlands meer lettergrepen nodig heeft voor een mededeling dan het Engels, moet Bremer snoeien om uit te komen. Dit leidt helaas niet zelden tot haast onbegrijpelijke onzin als `Wat woorden, mij ontglipt, zijn deze' of neologismen als `lichtspies-splinters'. De vertaler liet onlangs weten dat hier een reden voor is te vinden in het origineel: als Tennyson ergens een raar woord gebruikt en Bremer kan dat niet op die plek met een Nederlands raar woord vertalen, gebruikt hij ergens anders,maar zo dicht mogelijk in de buurt, een raar woord. Het is een waar wonder, dat ondanks deze zelfopgelegde marteling, soms ook bijzonder mooie Nederlandse versies zijn ontstaan.

Naakte dood

Tennyson heeft met zijn poëtische rouw Arthur Hallam voor eeuwig de zijne gemaakt. Maar er waren bij Arthurs leven wel meer gegadigden voor een plaats in diens hart. Disraeli hield zijn leven lang respect voor de intellectuele en politieke belofte van Hallam. Tennysons jongere zus Emily was met Hallam verloofd toen hij stierf.

De romancière en letterkundige A.S. Byatt heeft in de novelle The conjugial Angel (1992) de psychologische positie geschilderd waarin Emily moet zijn gekomen door de jammerklachten van haar broer, die Arthur voor zichzelf opeiste. Byatts novelle is daarmee eigenlijk het beste commentaar op In Memoriam, hoe speculatief ook. Er komt een Tennyson uit naar voren die zich op hoge leeftijd nog aftobt over Arthur en twijfelt of het wel kies was om de naakte dood poëtisch op te sieren met Hallams schoonheid.

Moderne critici wijzen er bovendien op dat iemand die werkelijk rouwt ook onvermijdelijk kwáád moet worden op de dode. Zij beschouwen Tennyson dan ook als een narcistische melancholicus, die de dode gebruikt om zèlf onsterfelijk te worden. Daar zit wel iets in, maar in het geval van de aarzelende Tennyson gaat het toch te ver, nog afgezien van het feit dat In Memoriam natuurlijk geen autobiografie is.

Dat Tennyson niettemin een bord voor zijn kop kon hebben, bewijst een mooie anekdote. Hij liet zich op zijn zwijgende wandelingen door Londen vaak vergezellen door een jong meisje met wie hij bevriend was. Tennyson had op die wandelingen, door zijn extravagante lange zwarte cape en sombrero, altijd veel bekijks. Wat hem ertoe bracht het meisje vermanend toe te spreken: `Child, you mother should dress you less conspicuously. People are staring at us.'

Alfred Tennyson: In Memoriam. Vertaald door Rudy Bremer. Ingeleid en van aantekeningen voorzien door W. Bronzwaer. Ambo tweetalig, 341 blz. ƒ69,50