Stralend van woede

In een van haar verhalen schrijft Judith Hermann: `Mijn overgrootmoeder versmolt in het schemerlicht tot iets treurigs, moois en vreemds.' Treurig, mooi en vreemd is ook het verhaal `Rote Korallen' zelf. Een Duitse vrouw gaat met haar man naar Rusland en kwijnt daar weg van heimwee. Ze doet niets, ze zegt niets, ze staart maar wat voor zich uit in een kamer met dichtgetrokken fluwelen gordijnen.

De Russische mannen zijn gek op de gesloten vrouw uit Duitsland. Ze bezoeken haar in de kamer met de dichtgetrokken fluwelen gordijnen en haar laatste bezoeker geeft haar een armband. En ineens staat daar: `De zeshonderdvijfenzeventig kleine koralen straalden rood als de woede.'

Met die rode armband om de witte pols verraadt de vrouw zichzelf. Maar ondanks haar verraad blijft zij voor ons een raadsel. We weten niet waar haar woede vandaan komt, we weten alleen waar zij heengaat. Naar de achterkleindochter, die de armband geërfd heeft.

De overgrootmoeders en de achterkleindochters, de oudjes en de jongelui: ze staan buiten het jachtige heden. Judith Hermann laat hen in een vacuüm leven en in dat vacuüm geldt slechts de wet van de traagheid, de wet van het roerloze wachten. Op de liefde, de dood, de verlossing. Hun moeheid kondigt hun verdwijning aan in het niets, maar nog één keer willen zij zich manifesteren.

En zo klampen ze zich vast aan passanten. Sonja bijvoorbeeld, in het verhaal dat haar naam draagt, volgt als een schim een schilder. Haar stille kracht betovert hem en maakt hem bang; de schilder slaat op de vlucht. Een ander meisje in een ander verhaal loopt langs de kamer van een man die geen contact meer heeft met de mensen. De man woont in een aftands New-Yorks hotel waar hij zijn dagen slijt met het beluisteren van steeds dezelfde cassettebandjes. Bach, de hele tijd Bach, Das wohltemperierte Klavier. Het meisje hoort het, klopt op de deur en zegt: `Sorry de muziek.'

Een zinnetje vol misverstanden en vol betekenis. Een kenningsmakings- en afscheidszinnetje tegelijk. De muziek zou de man en het meisje kunnen verbinden, maar zij is jong en hij is oud en met een hartverscheurend gebaar trekt hij zich terug in zijn schulp.

Het feit dat de oude man niemand minder is dan Hunter S. Thompson, de legendarische Amerikaanse undergroundschrijver, draagt zeker bij aan de ontroering.

Maar belangrijker is de door Judith Hermann gecreëerde spanning en de trieste ontlading daarvan. Die spanning wordt bereikt door heel veel weg te laten. En door dat wat wel verteld wordt in slowmotion af te draaien zodat je de pijnlijkheden gewaarwordt.

Sommige verhalen in Sommerhaus, später lijken te veel op de desolate films van Wim Wenders. De jungle van New York, waar Judith Hermann een tijdje rondhing, van het na-de-Muurse Berlijn, waar Judith Hermann woont, en van Sint-Petersburg, waar wie weet haar overgrootmoeder woonde, is elders plastischer beschreven.

Maar als het debuut van een zesentwintigjarige is Sommerhaus, später meer dan een knappe literaire prestatie: het is het rake portret van een stel vage, half-existerende mensen.

Judith Hermann: Sommerhaus, später. S. Fischer, 189 blz. ƒ29,80