Oom Wanja soms stijfjes, soms mooi en meeslepend

Zelden zal de oude min Marina in Oom Wanja zo afstandelijk gestalte hebben gekregen als in Titus Muizelaars enscenering van Tsjechovs stuk die gisteravond in première ging bij Toneelgroep Amsterdam. Malou Gorter heeft de ondankbare taak haar te spelen als een soort toneelknecht die tussen de scènes en bedrijven door voortdurend met meubilair sjouwt. Hoe betrokken was bij haar vergeleken de door Jappe Claes gespeelde knecht Fiers in de onlangs door toneelgroep De Trust uitgebrachte De Kersentuin! Die mocht alles zijn, van steunpilaar tot voetveeg, precies zoals je je bij een met de familie vergroeide horige voorstelt. Hij was een symbool van dubieuze traditie en romantiek. Gorter verplaatst alleen maar stoelen en schenkt eens thee, maar lijkt verder nergens om te malen of bij te horen. Ze is het tegendeel van een warme baboesjka.

De Jelena van Lineke Rijxman, de jonge vrouw van pater familias Serebrjakow (Hugo Koolschijn), is daarentegen warmbloediger dan je verwachten zou. Zo dichtgeknoopt als ze op papier is, op toneel geeft ze bij vlagen toe aan de avances van haar aanbidders. Je zou bijna denken, dat ze minnaars had. Tussen Gorter en Rijxman balanceert Muizelaars voorstelling, enigszins onevenwichtig, stijfjes af en toe, een beetje angstvallig soms, maar ook met mooie en zelfs meeslepende scènes. Te weinig ontwaren we het vacuüm van eenzaamheid en wanhoop waarin Tsjechovs personages verkeren. Zeker, we horen ze klagen en jammeren, maar de opstandige berusting, de gedempte wanhoop, die mengeling van wel en niet verandering willen brengen in de eigen situatie blijft te vaak buitenkant. Weemoed, daar hebben we het kort en goed over: het stroperige verdriet dat opstijgt uit de herhaalde aankondiging dat `we vertrekken' en de herhaalde verzuchting dat `ze' weg zijn.

Wat een meesterlijke schrijver is Tsjechov toch, dat de enscenering van zijn tekst zo nauw luistert!

Want de weging van een voorstelling als deze is natuurlijk een kwestie van nuances, van gezeur bijna. In het sobere, slechts uit een planken achter- en zijwand bestaande decor van Jan Joris Lamers, zijn de terughoudende Muizelaar en zijn over het algemeen voortreffelijke acteurs heus ver gekomen. Aan één kant heeft het publiek helemaal vrij zicht op de coulissen, aan de andere kan het langs de vurenhouten stutten van de decorwand de acteurs op hun beurt zien wachten. Hier wordt ten overvloede getoond dat toneel illusie is: ja, water is nat. Consequenter zou zijn het hele decor weg te laten, maar de hunkerende harten van Tsjechovs personages zijn intussen met deze arte povera wel treffend genoeg verbeeld.

Het komt aan op details in het spel. De voornaamste dissonant in de machteloze status quo die Oom Wanja toont, is de Jelena van Rijxman. Ze wringt te veelvuldig met de handen, zet te regelmatig de kiezen op elkaar, schreeuwt te vaak al dan niet geluidloos haar verdriet uit en beantwoordt net iets te gretig de kussen van Astrof om de mooie ledenpop te zijn die anderen zeggen dat ze is. Willoos hoeft ze om die reden niet te zijn maar wat Rijxmans interpretatie ontbeert is mysterie, het je ne sais quoi dat onafwendbaar maakt dat mannen op haar vallen en niet op de lieve Sonja. De oriëntaalse tuniek waarin Rijxman gekleed gaat, is stellig bedoeld om de raadselachtige ongrijpbaarheid van haar personage te onderstrepen, maar toereikend is dat niet, haar grimmig aangetrokken kaakspieren maken er geen minder verbeten indruk door. Misschien is Rijxman domweg te oud om Jelena's geraffineerde onschuld gestalte te geven: niet voor niets schrijft Tsjechov nadrukkelijk, dat zij 27 jaar is.

De goeiige Sonja wordt door Janni Goslinga beter getroffen. Aanvankelijk wat te actreutelig fladderend om haar onzekerheid te verbeelden, groeit ze gaandeweg uit tot een gelaagd personage dat zich niet meer eenduidig beschrijven laat. Ze is jong en hunkert, maar tegelijkertijd oud en wijs en zichzelf genoeg — wat iets anders is dan zelfgenoegzaam. Ze ontroert, aan het slot, met de in snikken verstikte Pierre Bokma als oom Wanja aan haar zijde.

De scène doet volop recht aan de afgebluste sfeer van Tsjechovs stuk, anders dan de explosies waarin Rijxman en Bokma nu en dan uitbarsten. De klaplopende ecologische idealist Astrof van Hans Kesting kan hen evenals als Goslinga's Sonja ten voorbeeld strekken: ze dempen hun emoties net voldoende om zicht te geven op hun onvermogen emoties te tonen, om te communiceren. Beiden zijn op hun manier vleesgeworden eenzaamheid en in die zin boegbeelden van een fraaie, zij het wisselvallige Oom Wanja.

Voorstelling: Oom Wanja van Anton Tsjechov door Toneelgroep Amsterdam. Regie: Titus Muizelaar. Vormgeving: Jan Joris Lamers. Spel: Hans Kesting, Lineke Rijxman, Pierre Bokma, Janni Goslinga e.a Gezien: 11/2, Stadsschouwburg Amsterdam. Herh. aldaar 12, 13, 27/2 en 20/3. Tournee t/m 27/4. Inl. 020-5237800.