Ontrukt aan de vergeetput

Hij schrijft te veel, te moeilijk en te mooi. Dat is een veelgehoorde opinie over Willem Brakman. Vooral de lezers die zich ooit tot zijn bewonderaars rekenden, degenen die zich zijn eerste, nog vrij traditionele boeken herinneren, hebben moeite met het oeuvre dat hij gestaag heeft opgebouwd. Ergens, mopperen zij, zijn ze het spoor bijster geraakt en nu lopen ze hopeloos achter, want Brakman heeft geen pas op de plaats gemaakt om zijn lezers rustig mee te laten groeien in zijn ontwikkeling. Het is een lot dat wel meer schrijvers van naam treft. De vroege Vestdijk, de vroege Reve, de vroege Hermans; in de ogen van velen hebben zij zichzelf later nooit meer weten te evenaren.

Willem Brakman: Het goede boek. Querido, 168 blz. ƒ34,90

Bij Brakman richt zich de klacht vooral op zijn (vermeende) ontoegankelijkheid; een overmaat aan stijl ten koste van samenvatbare inhoud. Ik zal niet zeggen dat zijn werk volmaakt doorzichtig is, maar juist de afgelopen jaren is hij er niet duisterder op geworden. Ik kan me althans niet goed voorstellen dat romans en novellen als Ante Diluvium (1998), Interieur (1996) en Vincent (1993), om maar eens een greep uit het royale aanbod te doen, alleen aantrekkelijk zouden zijn voor ingewijden. Dat geldt ook voor zijn nieuwe roman, Het goede boek, waarin wel passages voorkomen die voor meer dan één uitleg vatbaar zijn, maar die als geheel goed te volgen is. Ook dus voor lezers die nog niet eerder kennis hadden gemaakt met de griezelige, alomtegewoordige dokter Van Heel, met de gewezen petroleumboer Jan Loof of met moeder Chabot, een van de vele huishoudsterachtigen die Brakman laat ronddraven.

Weinig aandacht is er bij dit alles voor wat er zich verschuilt achter al zijn taalvondsten, dubbele bodems, kluchtigheden en ingenieuze intriges: een ernstige, soms bijna radeloze ondertoon. Daaruit klinkt een pijnlijk besef op van het onontkoombare verval van alles en iedereen. Hoe scherp geslepen ook de pen, hoe machtig de geest, toch gaat alles teloor wat de schrijver zo graag had willen behouden: voorwerpen, plekken, gebenedijde momenten, geliefden en ten slotte het leven zelf. Alles verdwijnt in wat in Het goede boek `de vergeetput' wordt genoemd. Onvermoeibaar bindt Brakman de strijd aan, nu al bijna veertig jaar lang, met de allesverslindende demon van de tijd, maar steeds zijn er nieuwe romans en novellen nodig om het monster te sussen.

In Het goede boek probeert hij zijn angst voor de dood, of zijn verlangen naar eeuwigheid theologisch te funderen, zo lijkt het. Het leven van Jezus wordt hier op postmoderne wijze nog eens dunnetjes overgedaan, met behulp onder andere van een manshoog kartonnen kruis, gezichtsmaskers en veel suggestie van hevige smart. `Laten we hopen dat het offer niet voor niets is geweest', is een van de veelvuldig terugkerende verzuchtingen. In dit evangelie volgens Willem Brakman, dit apocriefe `boek der boeken', wordt een oude man opgevoerd aan wie alles in de loop van zijn leven ontnomen wordt: vrouw, huis, bezittingen, geld, terwijl er op zijn leven verschillende aanslagen worden gepleegd.

Vanaf het begin van zijn relaas is er de dreiging van `het asiel', ofwel het bejaarden- of verzorgingstehuis. Iedereen in zijn omgeving lijkt erop uit om hem een verwijsbrief naar zo'n instelling te bezorgen. Ook is er de vrees om postuum te worden verhandeld voor educatieve doeleinden en als bengelend geraamte voorin een schoolklas te eindigen, met de `onvermijdelijke sigaret tussen de tanden'.

En natuurlijk is er de angst voor de dood zelf, die voortdurend op de loer ligt: `Een keer trof ik mijzelf aan in de tuin met een schepje in de hand, terwijl ik toch een zeer grote hekel heb aan iedere tuinarbeid. (–) Voor je het weet schiet er een arm omhoog, snokt je mee en de rest is dan stemmige muziek.'

Waakzaamheid is dus geboden en dat is ook precies waar het in deze roman om draait. Alles speelt zich hier af in een sfeer van diep wantrouwen, ook als er voor de verandering iets aangenaams gebeurt. `En zo was alles ochtendlijk en goed. Oppassen dus.'

Brakman heeft zich in een interview wel eens geringschattend uitgelaten over oudere mensen en hun neiging om zich al te veel te willen ontzien. Zo'n bejaarde is zijn naamloze held bepaald niet. Hier spreekt een krasse knar die van wanten weet, ook al worden zijn botten er niet kalkrijker op en zit het hem in het algemeen niet mee. Ten slotte heeft hij alleen nog zijn gemarmerde schrift, weinig toevallig `het goede boek' geheten, waarin hij zijn levenservaringen vastlegt.

Maar daarmee, zo suggereert Brakman, heeft hij misschien toch wel weer veel, zo niet zijn hele leven in eigen beheer. Want misschien bestaat deze hele smartelijke geschiedenis, dit merkwaardige evangelie, wel alleen in zijn eigen hoofd en lopen al zijn kwelgeesten wel aan zijn leiband, in plaats van hij aan de hunne.

Een van zijn ergste vijanden, notaris Valslag, degene die hem onder curatele stelde, begint aan het eind iets te vermoeden van zijn scheppende almacht, nadat hij stiekem in zijn aantekeningen heeft zitten bladeren. `Kleine brokjes ontvreemdt u aan de werkelijkheid', merkt de notaris peinzend op, `om ze (...) gedeformeerd opnieuw te laten opduiken. Steeds rijker worden die fragmenten, flonkerend bezaaid met roerloze seconden en roezemoezende omwegen.'

Ik kan nu wel beweren dat er met dit inderdaad goede boek weer heel wat seconden en omwegen aan de vergeetput zijn ontrukt, maar ik heb zo'n vermoeden dat Brakman er zelf nog niet helemaal gerust op is.