Jean-François Revel: La tentation totalitaire, 1976

`Ik was eigenlijk van plan dit boek een weinig aantrekkelijke en opzettelijk didactische titel te geven: `Over de onvermijdelijke opmars van het stalinisme in de wereld en de zekere mislukking van de pogingen om zich daartegen te verzetten'. De consternatie die regelmatig te lezen viel op iemands gezicht wanneer ik deze zin voorlas, maakte dat ik mijn voornemen liet varen. Toch geeft deze titel een tamelijk goede samenvatting van de machtsverhouding die zich heeft ontwikkeld'.

Twijfel over de weerbaarheid van de liberale democratie tekent het boek van de Franse filosoof Jean-François Revel. In zijn invloedrijke studie La tentation totalitaire, stelt Revel twee kwesties aan de orde. Allereerste: waar komt de aantrekkingskracht vandaan die het communisme als wereldbeeld in het Westen heeft? De `totalitaire verleiding' is een verbazingwekkend verschijnsel. Want het moest toch voor iedereen zichtbaar zijn dat de socialistische maatschappijen geen immigratieprobleem hebben, maar alleen een serieus emigratieprobleem kennen. Bovendien worstelt hij met de vraag: kunnen de liberale democratieën zich te weer stellen tegen het communisme als wereldmacht? Moet ontspanningspolitiek de leidraad zijn of juist een onverzoenlijke verwerping van het totalitarisme?

Men moet de tijd waarin Revel het boek heeft geschreven goed voor ogen houden. Het Programme Commun van de Franse socialisten en communisten is net gesloten. De `anjer-revolutie' in Portugal is in volle gang. Het Chili van Allende en de Unidad Popular is een embleem geworden. En, meer in het algemeen, de ontspanningspolitiek verkeert op een hoogtepunt. Een mengeling van ideologisch gemotiveerde goodwill en verkeerde begrepen Realpolitik leidt in die jaren tot verzoenende gebaren jegens het communisme.

Revel gaat allereerst op zoek naar de oorsprong van `de totalitaire verleiding'. De aanvaarding van pluralisme is eerder uitzondering dan regel in de geschiedenis van de mensheid, dus zo vreemd is de verleiding van het totalitarisme niet. `Je krijgt het gevoel dat de totalitaire verleiding ons uiteindelijk wordt ingeblazen door de haat tegen de gecommercialiseerde en geindustrialiseerde beschaving als principe, zelfs als kan worden aangetoond dat de mensen in die maatschappij beter te eten hebben, gezonder zijn en meer meetellen dan in iedere andere'.

Revel vereenzelvigt zich niet zonder meer met de bestaande ordening in het Westen. De openingszinnen van zijn boek luiden: `De huidige wereld ontwikkelt zich in de richting van het socialisme. De voornaamste hindernis op weg naar het socialisme is niet het kapitalisme maar het communisme'.

Wat dat socialisme dan is, maakt Revel niet echt duidelijk. Maar wel wil hij benadrukken dat een principiële verwerping van het communisme niet een afscheid van de socialistische traditie met zich mee hoeft te brengen.

Toch blijft hij ook tegenover die traditie buitengewoon kritisch. Haast iedereen die een `democratisch socialisme' verdedigt, maakt een onderscheid tussen het wezen en de historische verschijningsvorm van het socialisme. Door zo'n onderscheid wordt het socialisme immuun voor alle negatieve handelingen die zijn gedaan met een beroep op de doctrine en kunnen tegelijk verworvenheden als een direct uitvloeisel van het socialisme worden beschouwd: 'Dat het tarief van de metro in Moskou niet is gestegen is eenvoudig een resultaat van het socialisme, het tekort aan aardappelen een tijdelijke toevalligheid', aldus het commentaar van Revel dat, net als vele andere passages, doortrokken is van een bijtende ironie.

De onverzoenlijke tegenstelling van liberale democratie en planeconomie is door de geschiedenis bevestigd en Revel heeft met zijn boek een belangrijke bijdrage geleverd aan de legitimering van het anti-communisme in het Westen. Hoe juist deze afwijzing van het 'reëel bestaande socialisme' ook was, toch heeft dit principiële anti-communisme mede voeding gegegeven aan omstreden interpretaties van het ontstaan en het verloop van het Oost-West conflict.

Het werk van Jean-François Revel getuigt van een overschatting van de strategie en samenhang van de Sovjet-Unie. Die houding is samengevat in het beeld dat de jaren zeventig en tachtig zou beheersen: een omsingeling van de olievelden in het Midden-Oosten door een stap voor stap oprukkende Sovjet-Unie, die zich bovendien in allerijl bewapende. Zo kregen de omwentelingen in Angola, Erithrea, Iran en Afghanistan hun plek in dit omvattende scenario.

Revels Comment les démocraties finissent (1983), de voorzetting van La tentation totalitaire, illustreert de tegenstrijdigheden van die houding goed. De hoge mate van rationaliteit en planmatig handelen die de Sovjet-Unie wordt toegedicht, verhoudt zich maar moeilijk met de kritiek op de vergaande ondoelmatigheid van een planeconomie. Hier zien we hoe beide pedagogische eisen met elkaar in conflict komen. Hoe kan het publiek tegelijk doordrongen worden van de inherente zwakte van een gesloten samenleving én van de dreiging die van de totalitaire staten uitgaat?

Revel wijdt veel woorden aan het verzoenen van deze spanning in zijn redenering. `De principiële vraag van onze tijd is welke van de volgende twee tendenzen zich het eerst zal doorzetten: de vernietiging van de democratieën door het communisme of het einde van het communisme door zijn eigen ziekte. Deze laatste ontwikkeling verloopt trager dan de eerste'.

De uitvergroting van de tegenstander gaat hand in hand met een ongeloof in de weerbaarheid van een open samenleving. `In de ideologische oorlogsvoering heeft de communistische propaganda het doel om de democratie waar ze ook maar bestaat te vernietigen ... en ze heeft daartoe de middelen. De propaganda van de democratische landen heeft echter niet de middelen om het communisme te vernietigen'. De vraag dringt zich langzaam op wie er nu het meest in het kielzog is geraakt van de totalitaire verleding.

Deze redenering liep bij Revel uit op de stelling van de `onomkeerbaarheid' van het communisme. Later heeft hij deze gedachte verdedigd met de stelling dat het communistische systeem zich niet kan aanpassen, omdat het geen hervorming en ook geen machtswisseling verdraagt.

Op deze afwijzing van een `socialisme met een menselijk gezicht' – waar Dubcek,Gorbatsjov en met hen velen in het Westen van hebben gedroomd – valt weinig af te dingen. Maar de veronderstelde `onomkeerbaarheid' van het communisme betekende ook iets anders. De gedachte namelijk dat het `territoriale imperialisme' van de Sovjet-Unie, als het eenmaal ergens wortel had geschoten, het voorgoed was.

Het is duidelijk dat deze 'onomkeerbaarheid' wel heel moeilijk te verenigen is met de inherente zwakte van de planeconomie en het één-partijenstelsel. De `onkwetsbaarheid' van het ontplooide communisme maakte de meeste indruk op Revel en al die anderen die op een zelfde manier naar het Oosten keken.

La tentation totalitaire heeft onmiskenbaar verdiensten. Maar `1989' liet uiteindelijk vooral het gelijk van Karl Popper zien. Niet alleen vormt dat revolutiejaar de bevestiging van een fundamenteel vertrouwen in de weerbaarheid en aantrekkingskracht van een open samenleving, Ook illustreert `1989' de kritiek van Popper op het historicisme. Poppers principiële afkeer van uit de geschiedenis afgeleide voorspellingen, waarvan de veronderstelde `onomkeerbaarheid van het communisme' wel een kras voorbeeld is, is toen spectaculair bevestigd.

Jean-François Revel: La tentation totalitaire. Robert Laffont, 369 blz. (1976)

De totalitaire verleiding, Synopsis 1977, 332 blz. Uitverkocht.