It's the economy, stupid!

Staatssecretaris voor kunstzaken R.van der Ploeg is `in het nieuws' gekomen zoals dat iedere nieuwe staatssecretaris voor kunstzaken gebeurt: door het Nederlandse omroepwezen op de schop te willen nemen. Wij kijkers en luisteraars weten dat het een initiëringsritueel is. Na de omwenteling van de staatssecretaris moet je even zoeken voor je min of meer datgene terugvindt waaraan je gewend was en dan wordt je de rest van de kabinetsperiode met rust gelaten. De staatssecretaris is dan tot man en waarde gekomen. Hij weet dat in het Gooi machten huizen die sterker zijn dan de machten in Den Haag. Van Rick van der Ploeg valt het me eerlijk gezegd een beetje tegen, omdat hij van huis uit econoom is. Toch heeft hij niet gezien dat de Nederlands omroep zich in beginsel gedraagt als een autonoom economisch model, volgens de wetten van de markt.

De onwrikbare werkelijkheid die aan al het andere ten grondslag ligt is deze. Ieder volk brengt als eenheid van cultuur, door de generaties heen, een vast percentage talenten voort, dat is toegerust voor het maken van radio- en televisieprogramma's. Dit betekent niet dat al die talenten zich daartoe geroepen zullen voelen. Het toeval doet zich op tientallen manieren gelden, velen kiezen een andere weg, maar dit verandert niets aan het autonoom model. Het aanbod aan talent blijft in vaste verhouding tot het aantal inwoners. De exacte cijfers kennen we niet. Dat is ook niet noodzakelijk; het gaat namelijk om de verandering in de verhouding tussen vraag en aanbod.

Toen de televisie kwam, had Nederland ongeveer dertien miljoen inwoners, ondergebracht in een verzuilde samenleving. Er waren vijf grote verenigingen. Als omroep waren ze alle vijf wettelijk verplicht, `totaalprogramma's' te verzorgen, `pakketten' met amusement, educatieve programma's en wat de eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke identiteit verder vroeg. In economische zin wilde dit zeggen, dat vijf vragende partijen verschenen op een markt van talenten waar ook toen al het aanbod niet toereikend was. De minst draagkrachtigen moesten genoegen nemen met geringere talenten, òf een beroep doen op de idealistisch gemotiveerde krachten die graag voor de helft van het honorarium werkten.

Intussen is de bevolking met drie miljoen toegenomen, terwijl het aantal omroeporganisaties meer dan verdubbeld is. Er is één godsdienstige organisatie bijgekomen, er zijn twee niet commerciële kleinere die zich willen laten gelden, en er zijn vijf commerciëlen. Daarbij heb ik dan de locale zenders buiten beschouwing gelaten. Twee maal zoveel organisaties vormen de vragende partij op een markt waar het aanbod nog niet eens met een kwart is toegenomen. Een kind begrijpt dat dit niet goed kan gaan.

In deze redenering zijn totnutoe drie factoren buiten beschouwing gelaten. Ten eerste heeft de commercie zich in het Nederlandse omroepwezen gevestigd. Daardoor zijn, ten tweede, de omroepen – idealistisch, godsdienstig of niet –afhankelijker geworden van de kijk- en luistercijfers. Ten derde is niet ieder talent geschikt om ieder soort programma te maken. De drie factoren vormen binnen ons economisch model een afzonderlijk complex, dat zich een jaar of dertig geleden voor het eerst heeft doen gelden. Dit complex is nu mede marktbepalend. De vraag is het grootst naar de talenten die de programma's met de hoogste kijk- en luisterdichtheid garanderen. De juistheid van deze stelling valt voor iedereen in één oogopslag te verifiëren, door naar het jaarinkomen van kwismasters en praatshowcoryfeeën te kijken.

Door de verdubbeling van het aantal zendgemachtigden is de concurrentie om de kijk- en luistercijfers natuurlijk fel. De talenten die hoge dichtheden garanderen worden nog duurder. De budgetten van de omroepen blijven beperkt. Het begrip grenswaarde doet ook in de ether zijn intrede. Grote talenten op andere gebieden dan die van kwis en praat, worden onderbetaald of vallen af. Vrijwel iedere zendgemachtigde heeft zijn voortbestaan zwaar in kwis en praat verankerd, of zijn toevlucht genomen tot een eigen afgeleide versie van het genre. Dat is algemeen bekend.

Nu betreedt een econoom de cultuur van het Gooi en geeft de oekaze: minder kwis, meer cultuur! Is het niet alsof een cultuurmens het gebied van de economie betreedt, en zegt: die wetten van Adams, Gresham, Schumpeter en hoe ze verder mogen heten: die schaffen we af en we vervangen de Economische Commissie in Brussel door het bestuur van Arti. Dat gaat niet. Zo zal het ook niet gaan met de netten Het, Ons en Mijn en het minder-kwis-project. De oorzaak hoort niet tot de cultuur maar zit in de ijzeren wetmatigheid van de economie. Het is een kwestie van vraag en aanbod. Daarin komt geen verbetering, en daarom zullen we volgend jaar het zelfde zien en horen, misschien een beetje anders aangekleed, door elkaar gehusseld, maar in wezen: hetzelfde.