Informatie uranium al snel bekend

De mededelingen van RLD-onderzoeker H. Pruis gisteren voor de parlementaire enquêtecommissie Bijlmerramp hebben vice-premier en minister van Economische Zaken Jorritsma in een lastig parket gebracht.

Als de onder ede verstrekte informatie van RLD'er Pruis juist is, zou minister Jorritsma de Tweede Kamer in 1997 onvolledig hebben geïnformeerd.

Op 7 oktober 1992 werden in hangar 8 op Schiphol twee zware groene blokken uit de staart van de verongelukte El Al-Boeing binnengebracht. Het was verarmd uranium gebruikt als contragewicht, vertelde Pruis gisteren aan de enquêtecommissie. Hij was in het bijzonder belast met onderzoek naar de twee afgevallen motoren. De aanwezigheid van het radioactieve uranium werd, zoals hij het noemde, ,,intern gecommuniceerd''. De redders en brandweermensen ter plekke kregen niets te horen.

Terwijl Pruis en veel andere betrokkenen dus minder dan drie dagen na de ramp op de hoogte waren van het uranium, deelde minister Jorritsma (Verkeer en Waterstaat) bijna vijf jaar later, op 12 september 1997, in een brief aan de Tweede Kamer mee dat de Rijksluchtvaartdienst (RLD) op de dag van de ramp niet op de hoogte was geweest van het uranium. Dit lijkt tevens in strijd met het getuigenis van vooronderzoeker H. Wolleswinkel vorige week voor de commissie, die zei ,,in principe al twintig jaar'' te weten dat er uranium in sommige vliegtuigen van het type 747 zit.

In dezelfde brief schreef Jorritsma ook: ,,Toen eenmaal bekend was dat het vliegtuig met contragewichten was toegerust van verarmd uranium, is contact opgenomen met het ECN (Energieonderzoek Centrum Nederland, red) in Petten over mogelijk gevaarlijke eigenschappen van verarmd uranium onder ongevalsomstandigheden''.

Met name dat laatste achtte Pruis niet verantwoord en daarom besloot hij actie te ondernemen. Hij stuurde een e-mail aan Wolleswinkel en aan de directeur van de RLD H. Weck. ,,Een versluierende tekst'', luidde zijn oordeel gisteren tegenover de commissie. Zo'n advies was immers pas een jaar later, in de herfst van 1993, aan het ECN gevraagd na berichten in de media. De belangstelling ging hierbij vooral uit naar de mogelijke gevolgen voor de gezondheid.

Na zijn verhoor gisteren deelde Pruis op vragen van journalisten mee dat de tekst aan de Kamercommissie na zijn interventie was gecorrigeerd. Om precies te zijn op 6 oktober 1997 in de antwoorden die Jorritsma gaf op vragen van een SP-Kamerlid en twee GroenLinks Kamerleden, onder wie – pikant detail – het huidige commissielid Singh Varma. De minister zegt daarin: ,,Op 7 oktober, dus op de derde dag na het ongeval (in die fase waren zo goed als alle grote vliegtuigdelen afgevoerd van de ongevalslokatie) toen er meer bekend was over het bewuste vliegtuig werd de mogelijke aanwezigheid van verarmd uranium balansgewichten onderkend''. Volgens Pruis en andere getuigen was er toen al geen sprake meer van ,,mogelijke aanwezigheid'' omdat in de hangar al twee zware blokken lagen opgeslagen.

De RLD-medewerker zette gisteren uiteen dat in de hangar na de vondst van het uranium regelmatig op straling is gemeten ,,Enkele malen per dag'', aldus Pruis. ,,We hadden het geluk dat de stralingsdeskundige van de KLM zijn kantoortje in dezelfde hangar had. Hij beschikte bovendien over goede apparatuur''. Wie verder dan vijf of tien centimeter bij de blokken weg bleef, had geen last van de straling. Diezelfde woensdag werden overal in de hangar waarschuwingen opgehangen die aangaven hoe de onderzoekers met het uranium dienden om te gaan en welke voorzorgen ze moesten nemen. De mensen op de plek van de ramp bleven onkundig van dit alles.

Pruis vertelde de commissie tevens wie er allemaal na de vondst op de hoogte waren geweest van het uranium. In de eerste plaats de mensen die dagelijks in de hangar werkten. Medewerkers van de RLD dus, van Boeing, Israelische technici, specialisten van de FAA en NTSB uit Amerika. Ook de brandweer van Schiphol en de rijkspolitie waren volgens de RLD'er op de hoogte.

Omdat de aanwezigheid van de radioactieve stof in het dagelijks werkoverleg op 7 oktober aan de orde is gesteld, gaat Pruis er van uit dat ook de RLD-top, inclusief vooronderzoeker Wolleswinkel er van heeft geweten. ,,Het is niet specifiek aan de vooronderzoeker Wolleswinkel gemeld, maar uit mijn aantekeningen blijkt dat hij het kon weten'', antwoordde Pruis desgevraagd aan de commissie.

Eerder heeft Wolleswinkel over dit onderwerp onder ede verklaard dat de aanwezigheid van dit materiaal hem weliswaar ,,in principe'' al twintig jaar bekend was, maar dat hij er de eerste dagen na de ramp niet aan had gedacht. Er was ook niemand die er met hem over heeft gesproken: ,,Absoluut niemand heeft er mij iets over gezegd''.